MEER DAN KWALITEIT: EEN NIEUWE VISIE OP CULTUURBELEID

Door Robbert van Heuven Cultuur geeft onze wereld en onze persoonlijke ontwikkeling vorm. Onze taal en cultuur laten zien waar we vandaan komen en wie we zijn. Cultuur staat zowel voor binding, identiteit en traditie als voor dynamiek, creativiteit en vernieuwing. Onze netwerken worden steeds internationaler. Cultuur is hier zowel een afspiegeling als een motor van. Je culturele bagage bepaalt in hoeverre je onderdeel kunt zijn van deze ontwikkelingen en klaar bent voor de toekomst.

 

 

We vergeten wel eens hoe breed cultuur is, omdat cultuur zo’n vanzelfsprekend onderdeel van ons leven is. Of je nu de nieuwe Grunberg leest, op Facebook je persoonlijke smaak en voorkeuren deelt, een tentoonstelling over Lucas van Leyden bezoekt of zelf zingt of fotografeert: het is allemaal cultuur. Cultuur is vormend. Het brengt je tot andere inzichten, prikkelt je fantasie en stimuleert daarmee de creativiteit van individu en samenleving. Cultuur is ook een economische kracht. De creatieve sectoren groeien harder dan de rest van de economie. Ook de bredere economische betekenis van cultuur en creativiteit voor andere sectoren en ons woon- en vestigingsklimaat staat steeds meer in de belangstelling. Het toerisme groeit wereldwijd, en voor toerisme is een aantrekkelijke cultuursector van belang.

 

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg de Nederlandse overheid in de financiering van cultuur een grote rol. Het oordeel over wie subsidie moest krijgen, liet de overheid over aan kenners, die vaak een voorliefde voor vernieuwend aanbod hebben. Door verschillende maatschappelijke ontwikkelingen, waaronder individualisering en keuzevrijheid, is dit model onder druk komen te staan. Ook wordt het oordeel van kenners niet meer als enig criterium geaccepteerd. Het draagvlak voor de huidige wijze van subsidiëring is daardoor afgenomen: in de maatschappij en als gevolg daarvan ook in de politiek.

 

Het kabinet staat voor een omslag in het cultuurbeleid. Die is nodig omdat onze samenleving is veranderd en het cultuurbeleid daarmee niet langer in de pas loopt. De overheid treedt te veel op als financier en bij de verlening van subsidies is nu te weinig aandacht voor publiek en ondernemerschap. Het kabinet wil dat culturele instellingen en kunstenaars ondernemender worden en een groter deel van hun inkomsten zelf verwerven. Culturele instellingen moeten minder afhankelijk worden van de overheid en daardoor flexibeler en krachtiger worden. Daarom bezuinigt het kabinet op cultuur. Het gaat om een bezuiniging van € 200 miljoen, waarvan ca. € 125 miljoen op de culturele basisinfrastructuur: de culturele instellingen en de fondsen die een directe subsidie van het rijk ontvangen.

 

Dit leidt tot stevige keuzes. De Raad voor Cultuur heeft in zijn Advies bezuiniging cultuur 2013-2016. Noodgedwongen keuzen mogelijkheden daarvoor aangegeven. Dit heeft hij gedaan door per sector het aantal functies of voorzieningen in kaart te brengen dat voor de basisinfrastructuur in aanmerking zou moeten komen. De Raad had een moeilijke taak en heeft in een zeer beperkte tijd het verzoek om per sector een scenario te ontwikkelen serieus gewogen en uitgewerkt.

 

De nieuwe basisinfrastructuur gaat op 1 januari 2013 in. De Raad voor Cultuur wil een fasering en daarbij de bezuiniging van jaar tot jaar bezien. Hij stelt dat als de marktwerking niet of onvoldoende is gelukt, een heroverweging plaats moet vinden. Maar zo’n aanpak past niet in de vierjarige systematiek en leidt tot een verhoging van administratieve lasten. Met de Tweede Kamer is afgesproken dat de nieuwe basisinfrastructuur van het rijk op 1 januari 2013 ingaat, om eerder duidelijkheid te bieden aan instellingen en aansluiting te houden bij de financiering van gemeenten en provincies. Bij een start in 2013 zijn ook de middelen beschikbaar om dit proces goed te begeleiden. Anders zullen de frictiekosten in de lopende jaren op alle instellingen verhaald moeten worden. Het voorstel van de Raad om een overgangstermijn in acht te nemen tot eind 2015 neemt het kabinet dan ook niet over. Het kabinet is van mening dat de basisinfrastructuur kleiner van omvang zou moeten zijn en dat talentontwikkeling, vernieuwing en kleinschalige initiatieven via de fondsen moeten worden geborgd.

 

Het kabinet kiest op een aantal punten voor een andere invulling van de bezuinigingen dan de Raad voor Cultuur, mede op basis van de prioriteiten uit de brief uitgangspunten cultuurbeleid en de adviesaanvraag van december 2010:

· De internationale top dient op hoog niveau te blijven; daarom geen hoge korting op alle instellingen. Ook regionale voorzieningen worden in staat gesteld kwalitatief hoogwaardig aanbod te blijven bieden

· Bij de bezuinigingen worden erfgoed en bibliotheken zoveel mogelijk ontzien

· Productie gaat voor ondersteuning: daarom kiest het kabinet voor een sterkere bezuiniging op sectorinstituten en intermediairs in plaats van bijvoorbeeld theatergezelschappen en musea

· Ondersteuning van de creatieve industrie vanwege de bijdrage aan economische ontwikkeling.

 

Omdat het kabinet kiest voor een sterkere bezuiniging op sectorinstituten en intermediairs zal het de financiering van een aantal ondersteunende instellingen stopzetten. Waar ondersteunende instellingen een rijkscollectie beheren, blijft voor die taak financiering beschikbaar. Mocht een instelling die over een eigen collectie beschikt, overwegen een aanvraag in te dienen als museum, dan dient zij te voldoen aan de daarvoor geldende criteria. Van alle instellingen die door subsidiebeëindiging hun activiteiten moeten staken, verwacht ik dat de besturen zorgvuldig omgaan met de bestemming van de boedel. Bij instellingen met een collectie of archieven kan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed of het Nationaal Archief adviseren.

 

Het kabinet zal een aantal fondsen samenvoegen. Het Fonds Podiumkunsten zal samengaan met het Fonds Cultuurparticipatie. De financiering voor architectuur, vormgeving en nieuwe media, nu in handen van drie verschillende fondsen, wordt gebundeld in één Fonds voor de Creatieve Industrie. Het Fonds voor Beeldende Kunsten, Vormgeving en Bouwkunst en de Mondriaan Stichting zullen nog deze zomer fuseren.

 

De afgelopen jaren zijn de knelpunten in de gesubsidieerde cultuursector in beeld gebracht, onder meer door de Raad voor Cultuur. De Raad constateerde herhaaldelijk en in meerdere sectoren ‘versnippering’ of een ‘gebrek aan slagkracht’ door versnippering. De Commissie d’Ancona constateerde in 2006 dat de podiumkunsten zich teveel hadden ‘losgezongen’ van de samenleving en wees op de gebrekkige aansluiting van het aanbod op de vraag van het publiek. En meer dan tien jaar geleden constateerde de toenmalige staatssecretaris dat de ‘dominantie van specialisten en de veilige haven van een stelsel van aanbodsubsidies de dynamiek in de gesubsidieerde cultuur hebben belemmerd’. Niet alleen economen wijzen op de keerzijden van te grote subsidieafhankelijkheid en de daarmee verbonden geringe spreiding van risico’s. Ook in de cultuursector zelf klinken geluiden dat er meer efficiency en samenwerking mogelijk is en de sector meer ondernemerschap kan tonen. In tegenstelling tot het verleden wil dit kabinet deze knelpunten niet alleen benoemen, maar ook aanpakken.

 

Het kabinet staat voor een toekomstgericht cultuurbeleid. De maatregelen zijn daarom gericht op een sterke cultuursector, die ondernemend en innovatief is. Een cultuursector die net zo creatief is in het bereiken en aan zich binden van nieuw publiek als in het aanbieden van kwalitatief hoogstaande cultuur. De artistieke kwaliteit vormt daarom het vertrek-, maar niet het eindpunt. Het gaat om meer dan kwaliteit.

 

 

Het meeste cultuuraanbod komt op de vrije markt tot stand. Er zijn uitgeverijen, vrije theaterproducenten, private fondsen en veel van ons erfgoed is in handen van particuliere eigenaren. De totale omzet van de cultuursector bedroeg in 2009 ca. € 18 miljard. Naar schatting komt ruim tweederde hiervan op de vrije markt tot stand, bijvoorbeeld door inkomsten uit de creatieve dienstverlening of de entertainmentindustrie. Het gesubsidieerde deel van de sector had in 2009 een omzet van ca. € 5 miljard. Maar ook in dit deel van de sector komt een deel van de omzet uit de markt. De overige baten komen uit publieke middelen, vooral in de vorm van subsidies van gemeenten, het rijk (inclusief de publieke cultuurfondsen) en provincies. De markt is dan ook veruit de grootste financieringsbron voor cultuur.

 

Als de overheid bijspringt, is dit vooral om aanbod mogelijk te maken dat niet op de markt tot stand komt. Daarbij nemen gemeenten het grootste deel op zich: ruim 65% van de publieke middelen voor cultuur. Zij financieren vooral lokale voorzieningen zoals bibliotheken, musea, podia en voorzieningen op het gebied van cultuureducatie. Provincies hebben een aandeel van ca. 5% en financieren vooral regionale voorzieningen en provinciale musea. Uitgangspunt voor de bemoeienis van het rijk met cultuuruitingen is de Wet op het specifiek cultuurbeleid: ‘De bewindspersoon voor cultuur is verantwoordelijk voor het in stand houden, ontwikkelen en sociaal en geografisch spreiden of anderszins verbreiden van cultuuruitingen.’ Aan die verantwoordelijkheid houdt het kabinet vast.

 

Het kabinet houdt ook vast aan de taakverdeling tussen de verschillende overheden:

· Gemeenten zijn verantwoordelijk voor accommodaties voor podiumkunsten, en voor de financiering van het beheer van gemeentelijke collecties en musea

· Cultuur is een kerntaak van provincies waar dit de lokale belangen overstijgt. Provincies zetten zich in voor de diversiteit en spreiding van culturele voorzieningen in de regio en zijn verantwoordelijk voor de financiering van regionaal erfgoed, waaronder provinciale collecties en musea

· Het rijk is verantwoordelijk voor de landelijke culturele basisinfrastructuur, inclusief de aansturing van de cultuurfondsen, en voor de financiering van het beheer van de rijkscollectie.

 

Het kabinet kiest net als de Raad voor Cultuur voor een focus op kernpunten. Deze kernpunten bevinden zich in de regio’s Noord, Oost, Zuid, Midden en de G3: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag. De regio West heeft 3 grote steden en daarom geen aanvullende kernpunten voor de basisinfrastructuur. Niet in elk kernpunt hoeft hetzelfde aanbod aanwezig te zijn. Dat is afhankelijk van het regionale profiel, de reisbereidheid van het publiek en van kenmerken van sectoren. Voor de orkesten bijvoorbeeld is gekozen voor spreiding van 5 volwaardige symfonische voorzieningen op het niveau van de regio, voor theater zijn in navolging van het Raadsadvies 8 kernpunten waarin aanbod, afname, opleiding, ontwikkeling, doorstroming, coproducties en uitwisseling idealiter kunnen plaatsvinden. Voor het erfgoed speelt de spreiding in kernpunten geen rol. Bij musea gaat het om eigendom van de collectie en de (inter)nationale betekenis ervan.

 

Over mijn voornemens heb ik overleg gevoerd met de andere overheden. Alle drie de overheden zullen de komende tijd scherpe keuzes moeten maken. In het cultuurbeleid kiest het kabinet dan ook voor een goede samenwerking met steden en regio’s. Die samenwerking is van belang, want het grootste deel van de overheidsfinanciering van cultuur is in hun handen. De rol van het rijk moet daarop een goede aanvulling zijn. De verschillende overheden hebben elk een eigen verantwoordelijkheid en kunnen elkaar door goede samenwerking versterken. Gezamenlijk kunnen de drie overheden vorm geven aan een sterk voorzieningenniveau. Bij de fondsen zal matching van activiteitenfinanciering door andere overheden een belangrijk criterium zijn. Ook werken de overheden programmatisch samen. De wijze van afstemming met de regio’s, de drie grote steden en VNG/IPO is vastgelegd in het Algemeen kader interbestuurlijke verhoudingen cultuur. Voor de subsidieperiode 2013-2016 maakt het rijk convenantafspraken met de andere overheden.

 

De culturele basisinfrastructuur zal kleiner worden dan de huidige. De inrichting van die basisinfrastructuur komt in deel 2 van deze brief aan de orde. Hieronder komen eerst 4 prioriteiten aan bod, die voor het gehele cultuurbeleid van belang zijn:

· Internationalisering

· Cultuureducatie

· Vernieuwing en talent

· Geven aan cultuur.

 

Een cultuur die ertoe wil doen moet zich internationaal ontwikkelen, presenteren en meten. Zoals de meeste cultuur tot stand komt zonder overheidssteun, zo vindt ook de meeste internationale uitwisseling en samenwerking plaats zonder bemoeienis van de overheid. Het kabinet vindt het in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van cultuurinstellingen zelf aan uitwisseling met het buitenland vorm en inhoud te geven. Inspiratie door en confrontatie met het buitenland is vanuit de artistieke praktijk immers vanzelfsprekend. Daar hoeft de overheid niet tussen te komen. De overheid heeft een bescheiden rol als het om internationale culturele uitwisseling gaat. Wel wil het kabinet een partner voor de cultuursector zijn in het vergroten van zijn markt.

 

Uitgangspunt van het kabinet is om het economisch belang meer centraal te stellen. Het internationaal cultuurbeleid sluit hierbij aan. Het kabinet ziet dat het internationale verkeer sterk toeneemt. Markten raken steeds meer verweven, goederen en diensten bewegen zich steeds sneller over de wereld. Dit biedt Nederlandse instellingen kansen hun markt te verruimen. Die kansen liggen vooral bij de ons omringende landen en opkomende economieën. Daarnaast draagt het internationaal cultuurbeleid bij aan de bredere belangen van het buitenlands beleid.

 

De Raad voor Cultuur heeft in 2010 in zijn advies Culturele vertegenwoordiging in het buitenland gewezen op de vele spelers in het internationaal cultuurbeleid en aangegeven dat meer focus en een duidelijke regie nodig zijn. Het kabinet neemt deze aanbeveling over. De ministeries van OCW en BZ werken samen op het gebied van het internationaal cultuurbeleid. Hierbij is sprake van een heldere taakverdeling. Het ministerie van BZ zou, zo stelt de Raad, de geografisch-strategische prioriteiten moeten bepalen, coördineert statelijke vieringen en manifestaties en stuurt de posten aan. De Raad beveelt de beschikking van OCW over een deel van de HGIS gelden aan. Daarbij stuurt OCW de fondsen en sectorinstituten aan, is verantwoordelijk voor sectoraal cultuurbeleid en stelt via de culturele basisinfrastructuur instellingen in staat internationale activiteiten te ontplooien. In de uitvoering werken OCW en BZ samen met het ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

 

Voor de komende periode komt het kabinet tot de volgende doelen voor het internationaal cultuurbeleid:

· een internationaal niveau van Nederlandse topinstellingen, door gerichte keuzes binnen de culturele basisinfrastructuur

· het blijven versterken van de internationale marktpositie van Nederlandse kunstenaars en instellingen

· het blijven versterken van het Nederlands economisch belang, door verbanden tussen cultuur, handel en economie te benadrukken.

· culturele diplomatie: kunst en cultuur benutten voor buitenlandse betrekkingen.

 

 

Deze doelen leiden tot uitwerking in de volgende programma’s en prioriteiten:

 

· Creatieve industrie: tot 2012 zetten brancheverenigingen, fondsen en de ministeries van OCW, EL&I en BZ strategisch in op de sectoren design, mode en architectuur in een beperkt aantal landen. Zij hebben daarvoor het programma DutchDFA in het leven geroepen. Het kabinet gaat bekijken of samen met brancheverenigingen ook na 2012 gericht kan worden ingezet op creatieve sectoren, vooral in landen die zowel uit cultureel als uit economisch oogpunt interessant zijn. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de ervaring met het programma DutchDFA en de aanbevelingen van het topteam creatieve industrie.

 

· Gemeenschappelijk cultureel erfgoed: een deel van het Nederlands erfgoed ligt wereldwijd verspreid, als overblijfsel van een verleden dat Nederland met andere landen heeft gedeeld. Voorbeelden van dit erfgoed zijn archieven, gebouwen en scheepswrakken. Het programma Gemeenschappelijk Cultureel Erfgoed 2009-2012 is gericht op behoud en toekomst van dit erfgoed in acht landen. Op basis van de ervaringen met dit programma zullen het ministerie van BZ en OCW de prioriteiten voor de komende jaren nader bezien.

 

· Geografische focus: in samenhang met de brief over de modernisering van het postennet heeft het kabinet opnieuw gekeken naar de geografische focus van het internationaal cultuurbeleid Voor de komende subsidieperiode zijn voor artistieke uitwisseling en marktverruiming vooral de volgende landen van belang: Duitsland, België (Vlaanderen), Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten, Italië, Spanje, Brazilië, Turkije, Rusland, China, India, Zuid-Afrika, Indonesië en Japan. De Raad voor Cultuur zal letten op een scherpe focus in de beleidsplannen van instellingen. In het kader van het buitenlands beleid onderzoekt het kabinet hoe culturele samenwerking met de Arabische regio kan worden gestimuleerd. Ook heeft Centraal- en Oost-Europa de aandacht van het kabinet. In deze regio kan culturele samenwerking ondersteunend zijn aan het buitenlands beleid.

 

· EU-cultuur: binnen de EU zet Nederland op het gebied van cultuur vooral in op creatieve industrie en mobiliteit van kunstenaars en collecties. Het kabinet is geen voorstander van verhoging van het budget en nieuwe initiatieven die om verruiming van het budget vragen. Cultuurbeleid is immers vooral een zaak van individuele lidstaten. Het Europese Programma Cultuur loopt van 2007-2013 met ca. 57 miljoen euro per jaar voor aanvragen uit 35 landen. De Europese Commissie financiert in de lidstaten Cultural Contact Points (financiering: 50% met Europees geld, 50% door de lidstaat) die instellingen begeleiden bij het indienen van een aanvraag. In Nederland is het CCP ondergebracht bij de Stichting Internationale Culturele Activiteiten (SICA).

Daarnaast is er de Mediadesk, die voorlichting geeft over en aanvragen begeleidt voor het mediaprogramma. Dit is vooral voor de filmsector van belang. Ook de Mediadesk wordt voor 50% door de Europese Commissie en voor 50% door de lidstaat gefinancierd.

De stichting Trans Artists stimuleert de mobiliteit van kunstenaars. Artists-in-residence voorzieningen spelen internationaal een belangrijke rol als het gaat om talentontwikkeling. Deze taken worden in één ondersteunende instelling gebundeld.

 

· Culturele diplomatie: cultuur opent deuren in de buitenlandse politiek, draagt bij aan een positief beeld van Nederland en dient zo onze belangen. Dat geldt voor de Hollandse meesters uit de Gouden Eeuw en vernieuwende kunst uit onze tijd. Vanuit het oogpunt van culturele diplomatie hecht het kabinet ook aan statelijke manifestaties. In 2012 en 2013 vinden bilaterale vieringen met Turkije en Rusland plaats. De SICA coördineert de culturele component van de vieringen.

 

Naast deze prioriteiten is Nederland aan een aantal internationale verplichtingen gebonden. Dit geldt vooral voor het erfgoed, zoals de UNESCO-verdragen voor werelderfgoed, bescherming bij gewapend conflict, immaterieel erfgoed en de bestrijding van illegale handel in cultuurgoederen. Het verdrag voor immaterieel erfgoed zal het kabinet ratificeren. Op het terrein van de kunsten zijn er verplichtingen voor presentaties van architectuur en beeldende kunst bij de biënnales in Venetië en São Paulo en voor bijdragen aan het Europese filmprogramma (Eurimages), de Europese Culturele Hoofdstad 2018 en het Jeugdorkest van de Europese Unie. Het Van Doesburghuis (Parijs) en het Rietveldpaviljoen (Venetië) ontvangen een kleine onderhoudsbijdrage.

 

Zoals aangegeven zal OCW de HGIS-middelen voor cultuur (€ 4,6 miljoen bij OCW), conform het advies van de Raad voor Cultuur, vanaf 2013 inzetten voor strategisch internationaal beleid: o.a. voor programma’s gericht op versterking van de internationale marktpositie en statelijke manifestaties. Nu zijn deze middelen verdeeld over vijf fondsen.

 

Om meer samenhang en minder spelers te krijgen worden de volgende taken voor het internationaal cultuurbeleid gebundeld, uit te voeren door één ondersteunende instelling:

· coördinatie van internationale manifestaties

· stimuleren van de internationale mobiliteit van kunstenaars en instellingen

· stimuleren en ondersteunen van internationale erfgoedactiviteiten

· voorlichting over en ondersteuning van aanvragen voor het cultuurprogramma en het mediaprogramma van de Europese Unie; hiervoor worden het Cultural Contact Point en de Mediadesk bij deze instelling ondergebracht.

 

Voor de nieuwe periode zullen voor de genoemde taken in de basisinfrastructuur de volgende budgetten beschikbaar zijn:

 

 

Budget (x 1000)

Taken ondersteunende instelling internationaal cultuurbeleid

880

coördinatie internationalisering incl. EU cultuurprogramma

460

Kunstenaarsmobiliteit

220

Internationale erfgoedactiviteiten

100

EU-mediaprogramma

100

 

 

Cultuureducatie brengt kinderen en jongeren in aanraking met de rijkdom van cultuur. Het stimuleert hun creativiteit en vergroot hun historisch bewustzijn. In een wereld die steeds internationaler wordt en waarin we ons steeds meer moeten kunnen verplaatsen in anderen, vervult cultuur een belangrijke rol. De spontaniteit en verbeelding die cultuur losmaakt, zijn in onze tijd niet alleen gevraagd, maar vaak ook vereist: ’A firm needs more than an efficient manufacturing process, cost-control and a good technological base to remain competitive’.

 

Het kabinet vindt cultuureducatie belangrijk: voor persoonlijke ontwikkeling en voor de creativiteit van onze samenleving als geheel. Ook de Raad voor Cultuur hecht groot belang aan educatie en wijst erop dat de ‘onderzoekende houding’ die kinderen daardoor ontwikkelen, van groot belang is voor onze kennissamenleving. Het kabinet wil kinderen en jongeren op het gebied van cultuur een stevig fundament bieden. Voorwaarden daarvoor zijn een goede verankering van cultuureducatie in het onderwijs en aandacht voor cultuureducatie bij alle culturele instellingen, landelijk en lokaal.

 

In de afgelopen jaren is met succes gewerkt aan de samenwerking tussen scholen en instellingen. Zo zijn er op veel scholen cultuurcoördinatoren aangesteld en zijn er netwerken tussen het onderwijs en culturele instellingen ontstaan. Maar het kabinet ziet ook dat er nog veel te doen is. Er zijn veel initiatieven die los van elkaar bestaan en waarbij sterk de nadruk ligt op een eerste kennismaking. Scholen en instellingen werken vaak met incidentele projecten die vooral op vernieuwing gericht zijn. Daardoor zijn er grote verschillen in werkwijze en aanpak ontstaan, wordt er niet genoeg van elkaars ervaringen geleerd en is er te weinig aandacht voor inhoudelijke samenhang. Dat staat een stevig fundament voor cultuureducatie in de weg.

 

De Raad voor Cultuur wijst op de vele spelers die bij cultuureducatie betrokken zijn. De Raad merkt op dat ‘de infrastructuur in Nederland op het gebied van cultuureducatie aan buitenstaanders nauwelijks meer is uit te leggen’. Ook stelt de Raad dat er maar weinig scholen met een doorlopende leerlijn werken. Tot slot zijn er instellingen die veel aandacht besteden aan educatie, zoals musea en bibliotheken, maar ook instellingen die dat minder doen.

 

Het kabinet kiest voor een nieuwe aanpak om een stevig fundament voor cultuureducatie te bieden, een aanpak die duidelijkheid schept. Duidelijkheid over wat er van scholen en culturele instellingen wordt verwacht op het gebied van cultuureducatie, bijvoorbeeld door het borgen van doorlopende leerlijnen. Duidelijkheid over de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk, provincies en gemeenten. Daarvoor neemt het kabinet maatregelen die scholen en culturele instellingen in staat stellen de kwaliteit van cultuureducatie te versterken. Het kabinet legt daarbij de nadruk op het primair onderwijs. Daar ligt het fundament voor de persoonlijke ontwikkeling en voor de creativiteit die cultuur losmaakt. Het kabinet komt met een programma Cultuureducatie met kwaliteit dat bestaat uit de volgende acties:

 

· Scholen en leraren worden beter ondersteund bij het geven van invulling aan de kerndoelen cultuureducatie. Dit najaar vraagt het kabinet de Onderwijsraad en de Raad voor Cultuur om een gezamenlijk advies over de vormgeving van cultuureducatie door scholen. Op basis van dit advies zal de ondersteuning voor het onderwijs en de culturele instellingen door middel van concrete, inhoudelijke handvatten worden uitgewerkt. Dit gebeurt in afstemming op de zogenaamde kennisbases die lerarenopleidingen hebben ontwikkeld. Het advies zal in mei 2012 verschijnen.

 

· Het budget van de regeling Versterking cultuureducatie primair onderwijs (€ 10,90 per leerling) zal met ingang van het schooljaar 2012-2013 gedurende 4 schooljaren via de zogeheten “prestatiebox” worden ingezet. Dit heeft als doel scholen in staat te stellen de kwaliteit van cultuureducatie te versterken. In totaal is hiervoor € 18 miljoen per schooljaar beschikbaar. Ik zal de besteding van deze middelen monitoren. Hierbij zie ik op termijn een rol voor de onderwijsinspectie. Ik denk daarbij aan een themarapportage cultuureducatie.

 

· Educatie wordt een criterium voor de basisinfrastructuur. Instellingen moeten in hun aanvraag hun visie op cultuureducatie geven. Die visie is opgesteld na een verkenning van hun omgeving en het betrokken onderwijs en lessen uit activiteiten uit het verleden. Daarin moeten zij ingaan op de aard, het aantal en het bereik van de activiteiten, de wijze van samenwerking met het onderwijs, de personele en financiële inzet en de wijze waarop de activiteiten worden geëvalueerd. De Raad voor Cultuur zal gevraagd worden deze onderdelen binnen de huidige monitoring te beoordelen en de kwaliteit daarvan te volgen. OCW zal de kwantitatieve ontwikkelingen op het gebied van educatie in de basisinfrastructuur monitoren.

 

· Rijk, gemeenten en provincies zullen in het kader van het programma Cultuureducatie met kwaliteit bestuurlijke afspraken maken. Gemeenten en provincies worden uitgenodigd programma’s op te stellen die op lokaal niveau scholen en instellingen ondersteunen bij de versterking van de kwaliteit van cultuureducatie, bijvoorbeeld het werken met doorlopende leerlijnen. Hiervoor is de komende 4 jaar ca. € 10 miljoen per jaar beschikbaar. Uitgangspunten hierbij zijn matching en de beloning van ambitie. Ook wordt de verantwoordelijkheidsverdeling tussen rijk, gemeenten en provincies verduidelijkt en worden de criteria voor culturele instellingen zoveel mogelijk op elkaar afgestemd.

 

· Ook al gebeurt bij cultuureducatie het meeste lokaal, dicht bij scholen en instellingen, het bewaken van de samenhang in bovenstaande acties en maatregelen kan het beste landelijk worden geregeld. Daarom komt er bij het Fonds Podiumkunsten en Cultuurparticipatie een overkoepelend programma, dat bestaat uit onder meer de verspreiding van best practices, onderzoeksresultaten en handreikingen voor scholen, docenten en instellingen. Daarop vooruitlopend ondersteunt het fonds al in 2012 een aantal landelijke projecten met een doorlopende leerlijn cultuureducatie.

 

· De landelijke ondersteuningsstructuur voor cultuureducatie zal kleiner en efficiënter worden georganiseerd en beter worden aangesloten op de lokale ondersteuningsstructuur (zie 2.6).

 

In de brief over de uitgangspunten van het cultuurbeleid heeft het kabinet aangegeven, dat eisen aan publiek en ondernemerschap niet voor alle vormen van cultuur gelden. Zo heeft het rijk een rol als het gaat om het stimuleren van vernieuwing en talent. Het gaat dan om kansrijke initiatieven die nog niet bij een breed publiek bekend zijn, om een opstapje voor initiatieven die anders niet zouden bestaan. Net als in de wetenschap is het in de cultuur belangrijk ruimte te geven aan vernieuwing en innovatie die niet door de markt tot stand komt, omdat de ondernomen activiteiten nog niet direct winstgevend zijn. De maatregelen van het kabinet richten zich bij vernieuwing en talent op een drietal gebieden: kunstvakonderwijs, grote instellingen en fondsen.

 

· Kunstvakonderwijs: het rijk is vanuit het onderwijsbeleid verantwoordelijk voor goede beroepsopleidingen in het kunstvakonderwijs. Die bieden een goede startkwalificatie om op de culturele arbeidsmarkt aan de slag te gaan. Een belangrijk aandachtspunt blijft de aansluiting tussen de kunstvakopleidingen en de arbeidsmarkt. Voor de zomer zal de HBO-raad het sectorplan kunstvakonderwijs uitbrengen dat hiervoor met voorstellen komt. Dit najaar kom ik met een beleidsreactie op het sectorplan kunstvakonderwijs. Van de cultuursector verwacht ik een goede samenwerking met het kunstvakonderwijs: beide hebben belang bij de kwaliteit van kunstvakonderwijs. Voor nascholing of praktijkverdieping later in de loopbaan is de cultuursector zelf verantwoordelijk. Dat geldt al voor andere sectoren, zoals de advocatuur, de bouw en de techniek. Het kabinet vindt dat dit ook voor de cultuursector moet gelden. Dit betekent dat het rijk de financiering van postacademische opleidingen zal stopzetten.

 

· Grote instellingen: op het gebied van talentontwikkeling ziet het kabinet een belangrijke rol voor grote instellingen. De Raad voor Cultuur ziet dit ook zo. Grote instellingen moeten hun verantwoordelijkheid nemen en vernieuwing en jong talent ruimte bieden. Voor podiumkunstinstellingen is talentontwikkeling dan ook een voorwaarde voor rijksfinanciering. In de plannen van de instellingen moet dit onderwerp aan bod komen. Het financieren van aparte instellingen voor talentontwikkeling in de basisinfrastructuur wordt stopgezet.

 

· Fondsen: de cultuurfondsen zijn bij uitstek geschikt de dynamiek en vernieuwing in de cultuursector op de voet te volgen en hierop in te spelen. Het kabinet wil vernieuwing en kleinschalige initiatieven via de fondsen borgen. Hun instrumentarium is hiervoor passender dan dat van de vierjarige financiering via de basisinfrastructuur. Activiteitensubsidies voor kleinschalige projecten en een programmatische inzet van middelen zijn scherper gericht op een enkel doel en bieden meer flexibiliteit. Deze rol van de fondsen is belangrijk voor de ontwikkeling van cultuur: zo ontstaat dynamiek en creativiteit die ook buiten de cultuursector benut kan worden. Het instrumentarium van de fondsen wordt zo ingericht dat er apart ruimte blijft om ondersteuning aan vernieuwing en ontwikkeling te kunnen blijven bieden.

 

 

 

 

In 2009 gaven Nederlanders ca. € 4,7 miljard aan goede doelen. Ca. 10% van dit bedrag, € 454 miljoen, ging naar cultuur. 65% van deze € 454 miljoen is afkomstig van bedrijven. Het gaat dan om giften en sponsoring. De cijfers van instellingen in de huidige basisinfrastructuur laten zien dat in de periode 2005-2009 de financiering vanuit private middelen, zoals schenkingen, vriendenverenigingen, private fondsen, een gemiddelde jaarlijkse groei kende van 10%. Hier liggen kansen die nog beter kunnen worden benut. Over giften aan cultuur besluiten particulieren en bedrijven zelf, vanuit hun eigen motieven. Wat het rijk kan en gaat doen, is het geven aan cultuur stimuleren.

 

· De komende periode voert het kabinet intensief overleg met de filantropische sector. Er worden waar mogelijk afspraken gemaakt over rolverdeling, samenwerking en afstemming. Het kabinet wil hierover voor de zomer een convenant sluiten met de filantropische sector.

 

· Het kabinet gaat een duidelijk aanspreekpunt voor het mecenaat aanwijzen. Deze onafhankelijk intermediair kan culturele instellingen, kunstenaars en potentiële gevers de komende tijd dichter bij elkaar brengen. Uit een eerste verkenning maak ik op dat er veel behoefte is aan een onafhankelijk speler die gedurende enkele jaren mecenassen helpt om de juiste instelling of kunstenaar te vinden en omgekeerd. Dit is een concrete invulling van de stimulering van een culture of giving bij particulieren en bedrijven en de culture of asking bij instellingen. In Australië bestaat een soortgelijk initiatief al enkele jaren en is het zeer succesvol.

· In Nederland is het (fiscale) instrumentarium om te geven aan cultuur al goed ontwikkeld. Dit blijkt uit internationale vergelijkingen. Maar het geefklimaat kan nog versterkt worden. Uit onderzoek blijkt dat een goed fiscaal instrumentarium gevers stimuleert om meer te geven. Het is daarom zaak om belemmeringen weg te nemen en ervoor te zorgen dat de verschillende wetten zo goed mogelijk op elkaar aansluiten. Ik overleg daarover met de staatssecretarissen van Financiën en van Veiligheid en Justitie. Deze zomer komt het kabinet met een aanpak om invulling te geven aan de Geefwet die in het regeerakkoord is aangekondigd.

 

· Naast optimalisering van het (fiscale) instrumentarium komt het erop aan de bekendheid van dit instrumentarium te vergroten. Op 18 mei is hiervoor de start gegeven met het congres Cultuur in beeld: de kunst van het ondernemen. Dit was een conferentie over verdienstrategieën, bereik en binding van (nieuw) publiek en de culture of asking. Ik zal in de toekomst vaker dit soort bijeenkomsten laten organiseren, om kennis en ervaringen te delen. De website www.cultuurinbeeld2011.nl bevat informatie en voorbeelden over businessmodellen, manieren om (ander) publiek te bereiken, mecenaat en het verwerven van giften. Op deze website is ook de brochure Geven aan Cultuur te vinden. Deze brochure zet de bestaande, vooral fiscale, mogelijkheden op een rij. Ook het tweejaarlijks onderzoek Geven in Nederland van de Vrije Universiteit Amsterdam levert een schat aan informatie over geefprofielen, doelen, en trends.

 

 

 

 

 

 

 

 

Als een instelling voor financiering door het rijk in aanmerking wil komen, is het een voorwaarde dat haar prestaties van hoge artistieke kwaliteit zijn. Maar dit kabinet staat voor meer dan kwaliteit. Dat komt omdat het kabinet niet alleen naar de culturele instellingen kijkt, maar meer dan daarvoor in het cultuurbeleid ook naar het publiek en de maatschappij. Er gelden dan ook meer voorwaarden om voor rijksfinanciering in aanmerking te komen. De 5 criteria die het kabinet in aanvulling op kwaliteit hanteert, zijn:

· publiek

· ondernemerschap

· participatie en educatie

· de instelling beheert een rijkscollectie van (inter)nationale betekenis of biedt aanbod van (intern)nationale betekenis aan

· focus op hoogwaardige kernpunten in het land.

 

Hieronder volgt een uitwerking van deze criteria.

 

· Publiek: er is veel publieke belangstelling voor kunst en cultuur. Die belangstelling is een belangrijke graadmeter voor maatschappelijk draagvlak. Publieksbereik en -binding gaan daarom een grotere rol spelen bij de beoordeling van aanvragen. Daarbij telt niet alleen de grootte, maar ook de samenstelling van het publiek. Het is van belang dat instellingen een breed samengesteld publiek bereiken: breed in achtergrond, interesse, leeftijd en opleiding. De reisbereidheid voor topvoorzieningen is groot; daarom bereiken zij publiek vanuit het hele land. Ik vraag de Raad om bij de advisering over de periode 2013-2016 het publieksbereik expliciet te betrekken bij de beoordeling van de aanvragen. Net als de Raad vind ik dit belangrijk. Gedurende de periode 2013-2016 ga ik het publieksbereik en de publieksbinding van gesubsidieerde instellingen nauwgezet volgen.

 

· Ondernemerschap: elke instelling of individuele kunstenaar moet de komende tijd nog meer dan voorheen werk maken van ondernemerschap. Het gaat daarbij om positionering en profilering, omgevingsbewustzijn en een evenwichtige financieringsmix. Instellingen in de basisinfrastructuur halen nu gemiddeld 44% aan eigen inkomsten (dit zijn de eigen inkomsten gedeeld door alle structurele overheidssubsidies). Dit gemiddelde ligt boven de percentages uit het NIBIS-advies van juni 2009. De cultuursector heeft in dit advies voorgesteld dat elke instelling vanaf 2010 minimaal 17,5% eigen inkomsten moet behalen. Gelet op de uitgangspunten van het regeerakkoord en de huidige prestaties van de instellingen in de basisinfrastructuur is het kabinet van mening dat er meer nadruk op de eigen inkomsten eis kan en moet komen.

Daarom komt er een toetredingsnorm voor de basisinfrastructuur 2013 – 2016 van 17,5% eigen inkomsten. Dit moet in de jaren 2010 en 2011 gemiddeld gerealiseerd zijn. Deze toetredingseis geldt voor alle cultuurproducerende instellingen. Voor de podiumkunstinstellingen geldt daarnaast dat deze instellingen geacht worden op 1 januari 2013 het niveau van 21,5% te hebben bereikt. Dat moet blijken uit realistische plannen voor de periode 2013 - 2016. Daarbij betrek ik onder meer de resultaten die in het verleden zijn behaald. Ik leg deze nadruk op de podiumkunsten, daar waar in deze sector al eerder beleid is gestart om eigen inkomsten te verwerven.
De eigen inkomsten zouden in de aanstaande subsidieperiode een groei moeten doormaken van gemiddeld 1% per jaar. Daarom ben ik van mening dat er ook voor de periode 2017-2020 een entreenorm voor de eigen inkomsten moet gelden. Ik vind dat van de instellingen in de basisinfrastructuur verwacht mag worden dat voor toetreding in de periode 2017-2020 de volgende norm zou kunnen gelden: alle cultuurproducerende instellingen zouden moeten kunnen voldoen aan 21,5% eigen inkomsten. De podiumkunsteninstellingen zouden dan aan 25,5% eigen inkomsten moeten kunnen voldoen. Bij de bepaling van de entree voor die periode wordt dan ook gekeken naar de resultaten die in het verleden behaald zijn. Op het moment van beoordeling zijn echter nog niet alle jaarverslagen van de voorgaande periode beschikbaar. Concreet betekent dit voor toetreding tot de periode 2017-2020 dat alle cultuurproducerende instellingen in de jaren 2013, 2014 en 2015 gemiddeld 19,5% eigen inkomsten moeten halen. De podiumkunsteninstellingen zouden in die jaren dan gemiddeld 23,5% aan eigen inkomsten moeten halen.

 

Verschillende drempels belemmeren culturele instellingen en makers om andere financieringsbronnen aan te boren. Een deel van de cultuursector heeft lange tijd kunnen voortbestaan met overheidssubsidies. Dit domineerde de financieringsbehoefte van culturele instellingen en makers. De sector is hierdoor over het algemeen nog niet voldoende toegerust met kennis en vaardigheden om private middelen te genereren. Ook kan het bestaande, generieke instrumentarium op het gebied van financiering en ondernemerschap nog beter worden benut. Anderzijds is er ook bij banken en andere financiers sprake van onbekendheid met de werking van de cultuursector. Financiers zijn daardoor minder geneigd te investeren. Zo is bijvoorbeeld bij veel partijen niet bekend dat rijksgesubsidieerde culturele instellingen de mogelijkheid hebben om reserves op te bouwen.

 

Met mijn beleid op het gebied van ondernemerschap wil ik de kloof tussen de culturele sector en potentiële financiers verkleinen. Instellingen zijn hierbij in de eerste plaats zelf aan zet. Ik verwacht van de raden van toezicht en besturen van instellingen een actieve rol bij deze omslag. Het is dan ook meer dan voorheen van belang om hier bij nieuwe benoemingen rekening mee te houden. Ik verwacht van instellingen dat bij de benoeming van nieuwe leden van raden van toezicht, bestuursleden of directieleden hun competenties op het gebied van ondernemerschap een belangrijke rol gaan spelen.

De komende periode zal het kabinet zorg dragen voor praktische ondersteuning op het terrein van ondernemerschap. Er is hierbij ook aandacht voor filantropische financiering. Het is mijn voornemen om dit op programmatische basis in te richten. Daarbij zullen instellingen en makers ondersteund worden bij het versterken van hun ondernemerschap en het vinden van alternatieve financiering. Ik denk daarbij aan advies, coaching en begeleiding op het gebied van organisatieverandering en verdienmodellen. Van instellingen die subsidie aanvragen, vormen hun plannen voor ondernemerschap het uitgangspunt. Ik wil bijdragen aan het opbouwen van kennis op het gebied van cultuur en ondernemerschap. Op de langere termijn is ondersteuning van de sector op het gebied van ondernemerschap een taak van de brancheorganisaties.

 

· Participatie en educatie. Elke instelling in de basisinfrastructuur moet toegankelijk zijn voor kinderen en jongeren. Daarbij moet samenwerking gezocht worden met het onderwijs. De gemeentelijke en provinciale netwerken zullen hierbij ondersteuning bieden. In paragraaf 1.3 en 2.10 is dit verder uitgewerkt.

· (Inter)nationale betekenis. Niet voor elk aanbod is het rijk verantwoordelijk. De overheden hebben elk een eigen verantwoordelijkheid. Om voor rijkssubsidie in aanmerking te komen, moet het aanbod of de collectie (die in bezit of beheer is) van een instelling van (inter)nationaal belang zijn.

 

· Focus op kernpunten. Het kabinet kiest, net als de Raad voor Cultuur, voor een focus op kernpunten. Deze kernpunten bevinden zich in de regio’s Noord, Oost, Zuid, Midden en de G3 Amsterdam, Rotterdam, Den Haag. De regio West heeft 3 grote steden en daarom geen aanvullende kernpunten voor de basisinfrastructuur. Niet in elk kernpunt hoeft hetzelfde aanbod aanwezig te zijn. Dat is afhankelijk van het regionale profiel, de reisbereidheid van het publiek en van sectorspecifieke kenmerken. De verschillende sectordelen in deel 2 van deze brief geven de spreiding over kernpunten aan.

 

Ook de fondsen zullen deze 5 criteria zoveel mogelijk toepassen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In zijn advies heeft de Raad per sector voorstellen gedaan voor een inrichting van een basisinfrastructuur die duidelijk kleiner is. Net als de Raad kiest het kabinet voor een ketenbenadering, om binnen elke sector vanuit de verantwoordelijkheid van het rijk recht te doen aan ‘een redelijke spreiding van activiteiten die essentiële schakels vormen in de keten van creatie, productie, distributie, toegankelijkheid en beleving van culturele uitingen’. Daarbij adviseert de Raad ‘zeer expliciet (te) bezien hoe de sectorinstituten effectiever, efficiënter en goedkoper kunnen functioneren’. Ook de Tweede Kamer heeft hier in het laatste wetgevingsoverleg aandacht voor gevraagd. Zoals gezegd, kiest het kabinet soms voor een andere invulling van de bezuinigingen dan de Raad voor Cultuur, op basis van politiek-inhoudelijke prioriteiten:

· De internationale top dient op hoog niveau te blijven; daarom geen hoge korting op alle instellingen. Ook regionale voorzieningen worden in staat gesteld kwalitatief hoogwaardig aanbod te blijven bieden

· Bij de bezuinigingen worden erfgoed en bibliotheken zoveel mogelijk ontzien

· Productie gaat voor ondersteuning: daarom kiest het kabinet voor een sterkere bezuiniging op sectorinstituten en intermediairs in plaats van bijv. theatergezelschappen en musea

· Ondersteuning van de creatieve industrie vanwege de bijdrage aan economische ontwikkeling.

Daarnaast kiest het kabinet, zoals het in de brief van 6 december heeft aangegeven, niet voor een generieke korting van ca. 20-30% op elke instelling, maar voor inhoudelijke keuzes per sector.

 

Het kabinet vindt het belangrijk de nieuwe rol van de rijksoverheid goed te motiveren. Die rol zal scherper afgebakend zijn. Daarom volgt hieronder per sector een overzicht van de nieuwe basisinfrastructuur. Dit geeft per sector aan welke keuzes het kabinet voor de nieuwe basisinfrastructuur maakt, mede op basis van het advies van de Raad, de visitatierapporten en aanvullende onderzoeken. Bij elke sector wordt het beschikbare budget vanaf 2013 aangegeven. In de genoemde bedragen is de generieke korting van ca. 5% verwerkt.

 

Het kabinet onderscheidt de volgende vier gebieden, met een eigen rol van de rijksoverheid:

· Podiumkunsten en musea: Het rijk waarborgt een kwalitatief hoogstaand aanbod aan instellingen van (inter)nationale betekenis. Het rijk speelt in deze sectoren een grote rol; het gaat om de financiering van aanbod dat vanwege zijn grootschaligheid niet door de markt tot stand komt, zoals symfonische muziek, opera of rijkscollecties van musea.

· Beeldende kunst, film en letteren: het gaat om sectoren met een gemengde rol van markt en rijksoverheid bij de productie. Er is sprake van een beperkt aantal rijksgefinancierde producerende instellingen en kunstenaars.

· Architectuur, design en nieuwe media: het rijk stimuleert R&D en talent, opdrachtgeverschap, ondernemerschap en professionalisering. Het rijk heeft hier als financier een bescheiden rol; het gaat om sectoren die sterk marktgericht zijn. Er zijn weinig rijksgefinancierde producerende instellingen of makers.

· Cultuureducatie, amateurkunst en bibliotheken: het gaat hier om deelgebieden met een sterke rol van andere overheden, veelal door gemeenten gefinancierde instellingen en een beperkte rol van de markt (met uitzondering van de amateurkunst).

 

 

 

 

 

 

 

In de podiumkunsten wil het kabinet de relatie tussen vraag en aanbod versterken. De Raad voor Cultuur spreekt in zijn advies van een ‘overaanbod’ aan theater- en dansproducties. Hij doelt hiermee vooral op kleinschalige producties, maar ook voor grote zaalvoorstellingen is de markt niet onbeperkt. Daarom zal het podiumkunstenaanbod over de gehele linie worden beperkt. Wel blijft het kabinet zorgen voor een over het land gespreid voorzieningenniveau. Het kabinet wil een aantal topinstellingen in staat stellen zijn internationale niveau te behouden.

 

Het kabinet kiest voor 1 podiumkunstenbreed festival van internationale statuur in de basisinfrastructuur, omdat het een belangrijke bijdrage levert aan de vernieuwing en internationalisering van de Nederlandse podiumkunsten. Ook de Raad voor Cultuur adviseert 1 podiumkunstenbreed festival op te nemen. Dit festival wordt gekenmerkt door grootschalig aanbod, actueel en vernieuwend, op het gebied van muziek, muziektheater, dans en theater. Het werkt samen met grote topinstellingen in de podiumkunsten. Bij het Fonds Podiumkunsten en Cultuurparticipatie zal een budget beschikbaar blijven voor andere festivals. Voor het internationale festival in de basisinfrastructuur is een bedrag beschikbaar van € 2,9 miljoen.

 

De nieuwe basisinfrastructuur zal geen ruimte meer bieden aan postacademische instellingen en productiehuizen voor de podiumkunsten. Talentontwikkeling en ontwikkeling en verdieping van het genre blijven echter van groot belang. Zoals eerder gesteld wil het kabinet dit op een andere wijze organiseren. Het vindt de ontwikkeling van jong en bewezen talent de verantwoordelijkheid van kunstvakonderwijs, podiumkunstinstellingen, het Fonds Podiumkunsten en Cultuurparticipatie en de markt. De grote instellingen hebben vooral een taak waar het gaat om doorstroming van talent naar de grote zaal. Zowel in de non-profit sector als in het bedrijfsleven ziet elke organisatie ontwikkeling en doorstroming van talent immers als een vanzelfsprekende opdracht, om vernieuwing en continuïteit te waarborgen. Het Fonds Podiumkunsten en Cultuurparticipatie heeft een belangrijke rol op het gebied van R&D en de ontwikkeling van talent. Hier kom ik bij de behandeling van dit fonds op terug.

 

Vanwege het belang voor de culturele vorming en de nog altijd grote waardering van het Nederlandse publiek voor klassieke muziek, vindt het kabinet het net als de Raad belangrijk dat in het hele land symfonisch aanbod beschikbaar blijft. Het is wel belangrijk dat het aanbod aansluit op de vraag. Het publieksbereik van de orkesten loopt terug. In de leeftijdscategorie van 35 tot 49 jaar gaat het om een halvering van de bezoeken in ruim 10 jaar tijd.

 

Het uitvoeren van dat symfonisch repertoire beschouwt het kabinet als kerntaak van de orkesten. Voor de rol van het rijk legt het de nadruk op een efficiënte geografische spreiding en behoud van de internationale top. Het kabinet brengt het aantal orkesten in de basisinfrastructuur terug van 10 naar 7, exclusief het Muziekcentrum van de Omroep. Dit betekent dat er plaats is voor 5 volwaardige symfonieorkesten, 1 begeleidingsorkest voor de opera en 1 kernensemble voor de begeleiding van dans.

 

Het kabinet kiest bij de invulling van het orkestenbestel dus voor een andere insteek dan de Raad voor Cultuur. De Raad adviseert alle 10 orkesten in de basisinfrastructuur te behouden, met een aanzienlijke korting op hun budget. Zo ontstaan muziekvoorzieningen die weliswaar actief kunnen blijven op een aantal plaatsen in Nederland, maar voor de uitvoering van hun belangrijkste taak - het uitvoeren van symfonisch repertoire - krijgen zij niet de financiële ruimte die daarvoor nodig is. Deze ‘muziekvoorzieningen’ kunnen zo niet zelfstandig functioneren.

 

In de nieuwe basisinfrastructuur bedienen 4 symfonieorkesten de regio’s Noord, Oost, Zuid en het verzorgingsgebied Rotterdam - Den Haag. Het internationaal toporkest bedient het verzorgingsgebied Amsterdam. Regio Midden zal op de gebruikelijke wijze worden bediend. De bediening van het verzorgingsgebied Haarlem zal worden overgenomen door het orkest met een specifieke begeleidingstaak voor de opera, dat zijn symfonische taak behoudt.

 

Voor de 5 orkesten met primair een symfonische taak stel ik een normbudget van € 6 miljoen per jaar beschikbaar. Dit is gebaseerd op de gemiddelde activiteitenlasten van de huidige 5 orkesten in de regio. Na toepassing van de generieke korting van ca. 5% kunnen met het normbudget van € 6 miljoen de activiteitenlasten worden afgedekt. De verhouding tussen de activiteitenlasten en beheerslasten bij de huidige 5 orkesten in de regio is gemiddeld 82,5:17,5. Hiervan uitgaande, worden de orkesten in staat geacht om in elk geval de beheerslasten zelf te verdienen.

 

Voor het orkest met een internationale opdracht geldt een toeslag op het normbudget van 10% (€ 0,6 miljoen). Daarnaast reserveer ik een budget van € 3,5 miljoen voor het kernensemble met een specifieke begeleidingstaak voor de dans. Dit kernensemble heeft geen neventaak meer op symfonisch gebied. Het kabinet reserveert een budget van € 10 miljoen voor het orkest dat zijn symfonische taak combineert met een specifieke begeleidingstaak voor het grote operagezelschap. Met dit budget kan het orkest zijn twee hoofdtaken verzorgen: de omvangrijke begeleidingstaak voor opera en zijn symfonische taak, waarbij ook het verzorgingsgebied Haarlem als extra taak wordt meegenomen. Twee maal in een subsidieperiode zal dit orkest daarnaast de begeleiding van een dansproductie voor zijn rekening nemen. Voor de 7 orkesten reserveert het kabinet in totaal een budget van € 44,1 miljoen.

 

Er wordt vanuit het rijk bij de bepaling van zijn aandeel in de subsidie geen onderscheid meer gemaakt tussen overheden onderling of overheden binnen of buiten de Randstad. Het is aan de bestuurlijke partners om de omvang van aanvullende financiering te bepalen. De mate waarin gemeenten en provincies bereid zijn medeverantwoordelijkheid te nemen, wordt daardoor bepalend voor de actieradius van het orkest in zijn gebied of gemeente. Het betekent dat er verschillen zullen optreden tussen orkesten in de verschillende landsdelen.

 

Voor de regio Oost, Zuid en het verzorgingsgebied Rotterdam - Den Haag kunnen plannen van de huidige orkestorganisaties in behandeling worden genomen die het zelfstandig doorfunctioneren van bestaande orkesten als uitgangspunt nemen. Voorwaarde is dat de plannen overtuigend aantonen dat binnen het hierboven aangegeven budgettaire kader met behulp van aanvullende financiering van lokale overheden de symfonische taak op een volwaardige manier kan worden uitgevoerd. Volwaardig wil zeggen in een zodanige variëteit dat uit oogpunt van publieksbereik een voldoende wervend seizoensaanbod kan worden samengesteld en het totale subsidiebudget per orkestvoorziening een effectief functioneren mogelijk maakt. Het normbedrag van € 6 miljoen kan daarbij als maatstaf worden genomen.

 

Het kabinet ziet geen noodzaak de symfonische taak van het orkest met een specifieke begeleidingstaak voor de dans voort te zetten. Het voor de toekomst beschikbare budget ter hoogte van € 3,5 miljoen is berekend op een kernensemble voor dansbegeleiding met een middelgrote bezetting. Wanneer in bepaalde gevallen orkestversterking nodig is, zullen de twee grote dansgezelschappen de kosten daarvoor voor hun rekening nemen. Het kabinet vraagt de betrokken instellingen de komende planperiode te benutten om een volledige integratie van het balletgezelschap en het nieuwe begeleidingsensemble te verwezenlijken.

 

 

 

 

Het kabinet wil de internationale top behouden en zal daarom in de nieuwe basisinfrastructuur ruimte bieden aan 1 grootschalig operagezelschap. Reizen met operaproducties van deze instelling, inclusief koor en orkest, is zeer kostbaar en nauwelijks mogelijk vanwege de grootschaligheid van de producties. Het kabinet neemt het advies van de Raad met betrekking tot de landelijke operavoorziening over en verbindt hieraan geen reistaak. Deze instelling heeft wel de opdracht om publiek uit het hele land te werven. Het publiek van het grootschalig operagezelschap is nu voor 62% afkomstig van buiten de eigen stad. Om een excellent uitvoeringsniveau mogelijk te maken, neemt het kabinet de door de Raad geadviseerde budgetkorting op de internationale top niet over. Het past op deze instelling alleen de generieke korting van ca. 5% toe. Gelet op de hoge bezettingsgraden en gerechtvaardigde verwachtingen ten aanzien van het ondernemerschap, verwacht het dat de operavoorziening ook in de toekomst zijn internationale toppositie kan behouden.

 

Voor de ontwikkeling van de discipline en de toegankelijkheid van opera in de rest van Nederland is er in de basisinfrastructuur naast de landelijke voorziening ruimte voor 1 operaproductiekern met een beperkte reistaak. Voor die voorziening is een bedrag van € 3,5 miljoen euro beschikbaar. Met dit budget stelt het kabinet de operaproductiekern in staat 4 producties per jaar te maken, bij een spreiding over 6 tot 8 podia in het land, zoals voorgesteld door de visitatiecommissie opera en dans. Daarmee is rekening gehouden met het gegeven dat het nieuwe orkestenbestel beperkt capaciteit vrij kan maken voor operabegeleiding. Het Berenschot-rapport heeft daarvoor de mogelijkheden in kaart gebracht. Deze operaproductiekern is gevestigd in de regio en beschikt over geschikte faciliteiten.

 

De subsidie voor de postacademiale operawerkplaats komt te vervallen. Voor opera betekent dit dat het kabinet van het grote operagezelschap verwacht dat het talentontwikkeling in samenwerking met de conservatoria in het land en andere gezelschappen nader vormgeeft. Het gezelschap heeft hierin een coördinerende taak.

 

Het kabinet kiest voor de ondersteuning van 8 theaterinstellingen in 8 kernpunten en volgt daarmee het advies van de Raad voor Cultuur. De Raad kiest voor 8 kernpunten omdat in deze steden en stadsregio’s ‘aanbod, afname, opleiding, ontwikkeling, doorstroming, coproducties en uitwisseling idealiter kunnen plaatsvinden, omdat er niet alleen rijksgesubsidieerde producerende instellingen gevestigd zijn, maar er ook vaak een kunstvakopleiding aanwezig is en een schouwburg die in zijn programmering een zwaartepunt legt op gesubsidieerde podiumkunst.’

 

De kerntaak van de 8 theaterinstellingen in de basisinfrastructuur is het op de planken brengen van grootschalige theaterproducties. Daar zijn deze instellingen voor bedoeld. Toneel met een groot aantal acteurs op het podium wordt slechts mondjesmaat door vrije producenten gemaakt. Het produceren van bijvoorbeeld een Shakespeare-voorstelling met een groot aantal personages gebeurt nauwelijks in de markt.

 

Het kabinet maakt een differentiatie in de grootte van gezelschappen en wijkt hiermee af van het advies van de Raad die eenzelfde budget adviseert voor 8 gezelschappen, vanwege de relatie tussen vraag en aanbod bij producties voor de grote zaal. In de nieuwe basisinfrastructuur is ruimte voor 4 grote en 4 middelgrote instellingen. Voor de grote instellingen is per instelling € 2,5 miljoen beschikbaar, voor de middelgrote € 1,5 miljoen. Met deze differentiatie geeft het kabinet 4 instellingen de financiële armslag om minimaal 3 groot gemonteerde voorstellingen per jaar te maken met een groot acteursensemble. De middelgrote instellingen ontvangen subsidie om minimaal 1 grote zaalproductie per jaar te maken. Voor 1 groot theatergezelschap in de basisinfrastructuur stelt het kabinet een extra budget ter hoogte van 10% van het normbedrag beschikbaar voor internationale excellentie (€ 0,25 miljoen). Voor de drie grote steden zal het rijk 2 grote instellingen en 1 middelgrote instelling financieren. Voor de 5 kernpunten in de regio’s Noord, Oost, Zuid en Midden zal het rijk 2 grote instellingen financieren en 3 middelgrote.

 

Het kabinet vindt het belangrijk jeugd en jongeren in aanraking te brengen met theater. De hierboven genoemde theaterinstellingen in de 8 kernpunten zouden volgens de Raad voor Cultuur ook jeugdtheater mogelijk moeten maken, waarbij het onderwijs een belangrijke opdrachtgever en afnemer is. Daartoe zouden jeugdgezelschappen en gezelschappen die aanbod voor volwassenen produceren, allianties aan moeten gaan. Het is van groot belang dat gezelschappen samenwerken met podia en scholen om zoveel mogelijk publiek te bereiken. Op dit vlak is nog winst te behalen. Daarnaast ben ik van mening dat ook samenwerking tussen jeugdgezelschappen en gezelschappen met aanbod voor volwassenen tot een meerwaarde kan leiden. Zij kunnen elkaar in artistiek opzicht versterken en van elkaar leren en profiteren op het gebied van educatie en participatie. Het kabinet wil deze samenwerkingsverbanden stimuleren, maar niet afdwingen. Aan jeugdgezelschappen in de 8 kernpunten wordt daarom de mogelijkheid geboden om apart of samen met het grotere theatergezelschap een aanvraag in te dienen. Ik vraag echter alle theaterinstellingen die een aanvraag indienen, aandacht te schenken aan samenwerking met andere podiumkunstinstellingen en podia. Goede initiatieven op dit gebied hebben een streepje voor. Ook vraag ik de Raad voor Cultuur om de samenwerking tussen podiumkunstinstellingen mee te nemen in zijn beoordeling. Voor de jeugdfunctie is per kernpunt een bedrag van € 500.000 beschikbaar.

 

Omdat er, zoals eerder aangegeven, in de nieuwe basisinfrastructuur geen ruimte meer is voor productiehuizen, komen er geen geoormerkte budgetten voor talentontwikkeling voor de grote theaterinstellingen, zoals de Raad voor Cultuur adviseert.

 

Het rijk biedt ruimte aan 4 dansgezelschappen in de basisinfrastructuur. Het volgt hiermee het advies van de Raad voor Cultuur. Het aantal kernpunten is kleiner dan bij theater omdat, zoals de Raad voor Cultuur stelt, de markt voor dansproducties kleiner is en in een aantal steden de verbindingen tussen het dansgezelschap en andere podiumkunstinstellingen minder structureel en minder hecht zijn dan bij theaterinstellingen. Ook bij de dans is het de kerntaak van instellingen in de basisinfrastructuur om grootschalige producties op het podium te brengen. Het Fonds Podiumkunsten en Cultuurparticipatie heeft als taak om het kleinschalige en middelgrote dansaanbod mogelijk te maken en over het land te spreiden.

 

In de basisinfrastructuur blijft ruimte voor 2 grote gezelschappen van internationale statuur: 1 balletgezelschap en 1 gezelschap met moderne dans als specialisatie. Behalve het op de planken brengen van repertoire, hebben deze instellingen een taak op het gebied van (repertoire)vernieuwing en talentontwikkeling. Het aanbod is voor heel Nederland beschikbaar. Omdat reizen met grootschalige balletvoorstellingen zeer kostbaar is, moet het gezelschap zorgen dat publiek vanuit de regio aangetrokken wordt. Dit is ook al het geval. 67,5% van de bezoeken komt van buiten de standplaats. Dit moet zo blijven. Daarnaast zal het balletgezelschap de ontwikkeling van talent vormgeven door samenwerking met andere podiumkunstinstellingen en residencies in een aantal kernpunten gespreid over het land. Van de topinstelling op het gebied van moderne dans verwacht het kabinet dat zij naast voorstellingen in de standplaats ook voorstellingen elders in het land verzorgt. Het gezelschap zal in overleg met de gemeente waarin zij is gevestigd de taak talentontwikkeling verder vormgeven.

 

De 2 grote gezelschappen hebben vanwege hun functie en internationale reputatie een speciale positie in het dansbestel. Om deze toppositie te kunnen behouden, neemt het kabinet de door de Raad geadviseerde korting op deze gezelschappen niet over. Het past op deze instellingen alleen de generieke korting van ca. 5% toe. Bovendien zijn deze gezelschappen te verschillend van elkaar om een normbedrag te rechtvaardigen, zoals wordt ingevoerd voor de theatergezelschappen.

 

Naast bovengenoemde instellingen is er in de basisinfrastructuur nog ruimte voor 2 andere dansgezelschappen die grootschalige producties maken, waarvan 1 gezelschap een extra taak heeft op het gebied van jeugddans. Net als de Raad verwacht ik dat deze instellingen een specifiek profiel hebben, waarbij een grote landelijke diversiteit wordt nagestreefd. Voor het gezelschap met een extra taak op het gebied van jeugdaanbod stelt het kabinet € 2,5 miljoen beschikbaar, voor het andere gezelschap € 1,5 miljoen.

 

Het kabinet kiest voor een sterkere bezuiniging op sectorinstituten en intermediairs in plaats van op cultuurproducerende instellingen. Veel taken die nu bij sectorinstituten belegd zijn om producerende instellingen te ondersteunen, vindt het kabinet de verantwoordelijkheid van instellingen zelf, brancheverenigingen en de markt.

 

Er zal geen ruimte meer in de basisinfrastructuur zijn voor Muziek Centrum Nederland en het Nederlands Muziek Instituut. De muzieksector is een professionele sector die het grootste deel van de ondersteunende taken zelf kan organiseren. Het kabinet ziet alleen nog een taak als het gaat om activiteiten die marktverruiming stimuleren. De Nederlandse muziek, vooral de popmuziek, heeft een sterke potentie op het gebied van marktverruiming in het buitenland. Dit is een taak die niet door de markt wordt opgepakt omdat de commerciële risico’s te groot zijn. Deze taak zal als opdracht worden ondergebracht bij het Fonds Podiumkunsten en Cultuurparticipatie, maar niet door het fonds zelf worden uitgevoerd. Het Nederlands Muziek Instituut beheert een gemeentelijke collectie met een beperkt publieksbereik. Ondersteuning van het rijk komt dan ook te vervallen.

 

In de nieuwe basisinfrastructuur zal er geen financiering meer zijn voor Theater Instituut Nederland. Het kabinet kiest er ook in de theater- en danssector voor om voorrang te geven aan producerende instellingen. De theater- en danssector bestaan uit een groot aantal professionele instellingen met organisaties die in staat moeten zijn om zelfstandig hun doelen te bereiken. Ook is er in de podiumkunstensector een grote branchevereniging. Die kan een belangrijke rol gaan vervullen op het gebied van coördinatie, afstemming en collectieve promotie. Het kabinet kiest er met de beëindiging van de subsidie aan het Theater Instituut Nederland ook voor om het behoud, beheer en ontsluiting van de collectie van deze instelling niet meer te financieren. De collectie is geen rijkscollectie. Tegelijkertijd gaat het kabinet er vanuit dat de opgebouwde collecties, archieven en de mediatheek bij musea of andere culturele instellingen kunnen worden ondergebracht.

 

De professionalisering van instellingen op het gebied van educatie beschouwt het kabinet als een prioriteit. Deze functie zal in de nieuwe basisinfrastructuur bovensectoraal worden belegd bij een nieuw te vormen kennisinstituut voor educatie en amateurkunst, waarop ik verder in deze brief zal terugkomen. Hierop zullen ook alle podiumkunstinstellingen in de toekomst een beroep kunnen doen. Ook internationalisering blijft van belang, maar dat beschouwt het kabinet in de eerste plaats als een verantwoordelijkheid van instellingen zelf. Het kiest er daarom voor de stimulering van voorstellingen in het buitenland niet meer te ondersteunen. Zowel grote als kleine podiumkunstinstellingen beschikken immers vaak over een uitstekend internationaal netwerk. Het Fonds Podiumkunsten en Cultuurparticipatie blijft beschikken over een beperkt budget om op programmatische wijze internationalisering te stimuleren.

 

Het Fonds Podiumkunsten zal in de periode 2013 – 2016 samengaan met het Fonds Cultuurparticipatie, maar met gescheiden budgetstromen. Ik vraag de fondsen een plan te maken voor hun samengaan.

In de podiumkunsten zorgt het fonds aanvullend op de basisinfrastructuur voor dynamiek en vernieuwing. Elke twee jaar zal het fonds de activiteiten beoordelen op basis van objectiveerbare criteria. Elke vier jaar vindt een integrale aanvraagronde plaats, zodat de rol van het fonds in de subsidieperiode is afgestemd op de instellingen die het rijk direct subsidieert. Uitgangspunt is kwaliteit en verscheidenheid van aanbod. Naast het subsidiëren van aanbod ondersteunt het fonds de programmering van podia en festivals om de publieke belangstelling voor eigentijds aanbod te stimuleren. Veel muziekensembles, theater- en dansinstellingen die het fonds ondersteunt, bespelen podia in het gehele land. Hiermee is de spreiding van een gevarieerd aanbod gewaarborgd. In 2009 hebben de instellingen met fondssubsidie meer dan 50% van hun activiteiten buiten de eigen stad uitgevoerd. Zij bereikten daarmee bijvoorbeeld 350.000 bezoekers in het noorden en circa 325.000 bezoekers in het zuiden van het land.

 

Het fonds zal geen vierjarige instellingssubsidies meer verstrekken. Het verstrekken van (meerjarige) activiteitensubsidies blijft wel een taak van het Fonds. De regelingen van het fonds zullen scherpere eisen bevatten. Ondernemerschap wordt, net als de andere criteria die het kabinet in aanvulling op kwaliteit hanteert, van groter belang. Ook bij het fonds wordt de eigen inkomsten norm een zwaar wegingscriterium bij de beoordeling van aanvragen. Bij R&D wordt deze terughoudend toegepast, omdat het hier gaat om kansrijke initiatieven die nog niet bij een breed publiek bekend zijn. Bij het Fonds zitten nu al veel gezelschappen die economisch uitstekend presteren (meer dan 70% eigen inkomsten). Daarnaast gaat matching van meerjarige activiteitensubsidies door andere overheden een zeer belangrijke rol spelen. Dat is nodig omdat juist bij een beperkter budget samenwerking tussen de overheden en een eenduidig beleid van belang zijn. Daarnaast zullen meer makers en instellingen dan bij de vorige ronde een beroep doen op het budget van het Fonds Podiumkunsten.

 

De huidige vierjarige regeling zal op 1 januari 2013 stoppen. Ik geef het fonds de opdracht een nieuwe subsidieregeling op te stellen die tegelijk met de procedure voor de basisinfrastructuur zal worden opengesteld. Er zal ruimte zijn voor een kleiner aantal theater-, dans- en muziekinstellingen en de regeling zal aan de volgende uitgangspunten moeten voldoen:

· scherpere omschrijving van de (categorieën van) activiteiten waarvoor subsidie kan worden aangevraagd

· invoering van een systeem van normbudgetten op basis van instellingskenmerken, met een stimulerende uitwerking op de prestaties

· matching van fondssubsidie door andere overheden en externe financiering als zwaarwegend criterium

· een systeem waarbij het fonds elke twee jaar de financiering van activiteiten beoordeelt op basis van objectiveerbare criteria, en elke vier jaar een integrale aanvraagronde plaats vindt

· aandacht voor bezoekersaantallen en spreiding van instellingen en activiteiten.

 

Aparte instellingen voor talentontwikkeling komen niet meer in aanmerking voor een vierjarige subsidie van OCW of het fonds. Het fonds zal talent op een andere manier stimuleren: met het beschikbaar stellen van activiteitensubsidies voor het maken van producties. De eigen verantwoordelijkheid van makers komt daarbij voorop te staan. Jong talent wordt niet meer ‘geadopteerd’ door een productiehuis, maar koopt desgewenst zelf diensten in van productiehuizen die als producent kunnen optreden.

 

Bij het fonds zullen er ook geen inkomensvormende voorzieningen voor individuele makers meer zijn. Het Fonds Podiumkunsten heeft hier al een begin mee gemaakt om deze af te bouwen. Een voorbeeld is de per 1 januari 2011 ingevoerde regeling voor compositieopdrachten, waarbij niet langer de componist, maar de uitvoerderende organisatie van het te componeren werk aanvraagt. En die uitvoerderende organisatie garandeert meerdere uitvoeringen van het te componeren werk. Ik geef het Fonds de opdracht om hierin volgende stappen te zetten en alle regelingen die nu een inkomenskarakter hebben om te vormen tot regelingen waarin voorwaarden gesteld worden met betrekking tot de vraag naar het te creëren aanbod.

 

Het budget van het Fonds Podiumkunsten komt op ca. € 45 miljoen. Omdat ik voor het Fonds een grotere rol zie op het gebied van talentontwikkeling, verwacht ik dat het fonds het budget van projectsubsidies in stand houdt. Om een betere aansluiting tussen vraag en aanbod te stimuleren en het publieksbereik te vergroten, vraag ik het fonds bovendien om de regelingen voor programmering relatief te ontzien.

 

De budgetten voor meerjarige subsidies worden met ongeveer een derde gekort. Daardoor wordt de druk op het fonds groter. Bovendien is er een toeloop van instellingen die in het kader van de nieuwe basisinfrastructuur geen subsidie meer zullen ontvangen. Het fonds zal dus duidelijk minder instellingen subsidiëren. Ik vraag het fonds scherpe keuzes te maken in het kleinschalig en middelgroot aanbod en hierbij rekening te houden met de vraag naar het aanbod, de spreiding van instellingen en activiteiten, en de cofinanciering door gemeenten. Het spreekt echter vanzelf dat het kleinschalig en middelgroot aanbod zal worden beperkt. Ik ga ervan uit dat hiermee tevens een beter evenwicht ontstaat tussen aanbod en afname. Bij de onderverdeling van de meerjarige budgetten per discipline (muziek, theater, muziektheater, dans en festivals) is de bestaande verdeling over disciplines het uitgangspunt. Verschuivingen van budgetten tussen sectoren blijven echter mogelijk; ze zijn afhankelijk van de precieze invulling van de basisinfrastructuur.

 

 

 

budget (x 1000)

Totaal podiumkunsten

156.920

Orkesten

30.600

Begeleidingsorkesten

13.500

Operagezelschappen

27.540

Theatergezelschappen

16.250

Jeugdtheatergezelschappen

4.000

Dansgezelschappen

16.250

Festival podiumkunsten

2.990

Fonds

45.790

 

 

Musea zorgen voor de aan hen toevertrouwde collecties. Ook vervullen zij een educatieve functie. Dat doen ze vooral voor kinderen en jongeren, die door een museumbezoek hun kennis van de Nederlandse cultuur en geschiedenis vergroten. De rijksgesubsidieerde musea ontvangen per jaar ca. 5,5 miljoen bezoeken, waaronder 420.000 kinderen in schoolverband.

 

Het regeerakkoord stelt dat cultureel erfgoed bij de bezuinigingen zoveel mogelijk wordt ontzien. In de brief over de uitgangspunten van het cultuurbeleid heeft het kabinet aangekondigd dat het cultureel erfgoed meedoet aan de generieke korting op de gehele cultuurbegroting van ca. 5% en dat het € 10 miljoen kort op het Nationaal Historisch Museum. Aanvullend daarop zal het kabinet € 10 miljoen bezuinigen op het budget van musea. In afwijking van het Raadsadvies is deze bezuiniging per saldo minder groot dan die in andere sectoren. De door de Raad voorgestelde bezuiniging van 15% in 2013, oplopend tot 26% in 2015, betekent een zodanige aanslag op het museale bestel, vooral op de toegankelijkheid van veel collecties, dat de musea in een neerwaartse spiraal terecht zullen komen, waarvoor de Raad zelf ook al waarschuwt. Die zware ingreep op de publieksfunctie van de musea zal ten koste gaan van het versterken van banden met bezoekers en sponsors - en daarmee van de capaciteit meer eigen inkomsten te verwerven. Ook zal het de educatiefunctie van musea ernstig aantasten, terwijl het kabinet deze juist belangrijk vindt.

 

Uitgangspunt voor de rijksbetrokkenheid bij musea is en blijft de rijksverantwoordelijkheid voor de rijkscollecties, die eigendom zijn van de staat of die aan de zorg van de staat zijn toevertrouwd. Daarnaast is er in het rijksbeleid ruimte voor enkele museale instellingen die een collectie van nationaal belang beheren en die nu al lange tijd door het rijk worden gesubsidieerd. Het kabinet zal bij de bezuinigingen het beheer van de collecties zoveel mogelijk ontzien en volgt daarmee het Raadsadvies.

 

Elke instelling moet de komende tijd meer werk maken van ondernemerschap en zijn banden met publiek en maatschappij versterken. Dat geldt ook voor musea. De eigen inkomstennorm geldt daarom ook voor hen als toelatingseis. De rijksgesubsidieerde musea die gemiddeld over de jaren 2010 en 2011 onder de met de sector afgesproken eigen inkomstennorm van 17,5% zijn gebleven, zal het kabinet korten op de museale functies. Het kabinet zal bij de musea die niet aan deze toelatingseis voldoen zijn bijdrage met ingang van 2013 beperken tot het behoud en beheer van de collecties. Deze musea zullen de komende vier jaar de aan hen toevertrouwde collecties adequaat kunnen huisvesten en beheren, maar worden niet langer gesubsidieerd voor de publieksfunctie en wetenschappelijke functie. Zij zullen naar nieuwe financieringsbronnen, samenwerkingspartners en presentatiemogelijkheden moeten zoeken. Voor zover de collecties van betreffende musea eind 2016 niet in een nieuwe constellatie onderdak hebben gevonden, zullen deze worden teruggetrokken. Als musea samengaan, stelt het kabinet als voorwaarde aan de aanvraag dat gezamenlijk wordt voldaan aan de eigen inkomstennorm. De efficiencywinst dient te worden verdisconteerd in een lager gezamenlijk subsidieverzoek. Musea die in 2010 en 2011 onder de inkomstennorm blijven, kunnen zich door fusie daarom alsnog kwalificeren voor subsidie. Ook voor de musea geldt dat de eigen inkomsten geacht worden te groeien met gemiddeld 1% per jaar (zie 2.10).

 

Het kabinet wil een bezuiniging doorvoeren op de wetenschappelijke functie van musea door deze uit te laten voeren door een beperkt aantal musea, zoals ook de Raad heeft geadviseerd. Het gaat om de volgende musea: het Rijksmuseum Amsterdam, Rijksmuseum van Oudheden, Het Rijksmuseum voor Volkenkunde, NCB Naturalis, het Catharijneconvent, het Letterkundig Museum en het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie. Zoals de Raad opmerkt vervullen deze kerninstellingen een leidende rol in het museale netwerk voor het wetenschappelijke domein. Voorwaarde voor het daar in stand houden van de wetenschappelijke functie is vanzelfsprekend dat betrokken musea voldoen aan de voor alle musea geldende eigen inkomstennorm.

 

Ik wil een aanzet geven om een aantal topinstituten te ontwikkelen. Met het oog op de ontwikkeling van het Rijksmuseum wil ik dat deze instelling samengaat met het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD). Ik vraag het Rijksmuseum en het RKD in hun aanvragen hiervoor plannen op te nemen. In dat verband zal ik, anders dan de Raad voorstelt, het Rijksmuseum niet korten op de wetenschappelijke functie. De aanvullende korting op het RKD, onderdeel van de ondersteuningsstructuur, beperk ik tot 10%. Daarnaast wil ik NCB Naturalis in staat stellen het Centrum voor Biodiversiteit verder te realiseren. Anders dan de Raad voorstelt, kort ik daarom niet op de wetenschappelijke functie van NCB Naturalis. Bovendien zal de samenwerking die het Catharijneconvent is aangegaan met de Stichting Kerkelijk Kunstbezit Nederland in het licht van de wetenschappelijke functie worden gezien. Daarom zal de subsidie voor de ondersteunende activiteiten rond het inventariseren, waarderen en documenteren van het religieus erfgoed (behoudens een beperkte aanvullende korting tot 10%) aan het Catharijneconvent worden verstrekt voor de komende vier jaar. Om een topinstituut voor immaterieel erfgoed en volkscultuur te vormen, wil ik dat het Nederlands Openluchtmuseum en het Nederlands Centrum voor Volkscultuur samengaan. Ook voor het Nederlands Centrum voor Volkscultuur beperkt het kabinet de aanvullende korting tot 10%. Ik vraag het Nederlands Openluchtmuseum in zijn aanvraag hiervoor een plan op te nemen. Ten slotte wil ik de subsidie aan de Hollandsche Schouwburg onderbrengen bij het Joods Historisch Museum. Ik vraag het Joods Historisch Museum daarvoor in zijn aanvraag een plan in te dienen.

 

De subsidie aan het Nationaal Historisch Museum (NHM) zal het kabinet per 1 januari 2012 beëindigen. Gezien de bezuinigingen, ook in de museumsector, en de scherpe prioriteiten die het kabinet daarbij dient te stellen, is het niet opportuun dit project voort te zetten. Het kabinet wijst er daarbij op dat bestaande erfgoedinstellingen al veel initiatieven ontplooien om de Nederlandse geschiedenis te presenteren. Dit blijkt ook uit een onderzoek door APE, dat naar aanleiding van de motie van de leden Van der Ham en Peters (Tweede Kamer, vergaderjaar 2010/2011, nr. 31495) is verricht. Wel zal het kabinet het Nederlands Openluchtmuseum (NOM) in staat stellen op digitale wijze de Nederlandse geschiedenis te presenteren. Het kabinet stelt hiervoor een structureel bedrag van € 1,5 miljoen beschikbaar aan het NOM. Met het NHM is afgesproken dat het NHM zal bezien welke activiteiten en producten het in dat verband aan het NOM wil overdragen. Daarnaast zal het kabinet het NOM in staat stellen een materiële presentatie te ontwikkelen van de Canon van de Nederlandse geschiedenis. Ik verwacht dat het NOM hierbij samenwerkt met het Rijksmuseum Amsterdam. Het kabinet stelt daarvoor structureel een bedrag van € 0,5 miljoen ter beschikking. Het vraagt het NOM daarvoor een plan te ontwikkelen. In aanvulling daarop zal het kabinet in de prestatieovereenkomsten met de musea afspraken maken over de presentatie van de Nederlandse geschiedenis, hun onderlinge samenwerking daarbij en het bereiken van schoolgroepen.

 

Het rijkshuisvestigingsstelsel wordt geëvalueerd. In dat verband wil het kabinet de huisvesting van de musea afzonderlijk bezien. Samen met de musea, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het Ministerie van Financiën zal het kabinet onderzoeken of het mogelijk en wenselijk is het eigendom van de gebouwen aan de instellingen over te dragen. Ook de Raad voor Cultuur heeft op deze mogelijkheid gewezen.

 

De Raad adviseert de subsidie aan het sectorinstituut voor het cultureel erfgoed, Erfgoed Nederland, te beëindigen. Dit advies neem ik over. Er zijn echter waardevolle taken, op het gebied van erfgoededucatie en internationale samenwerking, die ik wil behouden. Het kennisinstituut voor cultuureducatie en amateurkunst zal de ondersteuning voor erfgoededucatie uitvoeren. De internationale erfgoedactiviteiten zullen bij de instelling met coördinerende taken voor het internationaal cultuurbeleid worden ondergebracht. Andere taken zijn deels al opgepakt door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed en het Nationaal Archief. Deze bestaande kennisinstituten leveren samen met hun partners al een belangrijke bijdrage aan de ondersteuning van de erfgoedsector

 

Kennisverspreiding over digitale duurzaamheid en kwaliteitszorg voor digitaal erfgoed is de komende jaren nog noodzakelijk. Het kabinet kiest er dan ook voor Digitaal Erfgoed Nederland in staat te stellen haar taken in de komende vier jaar uit te blijven voeren. Daarbij voert het kabinet een korting door van aanvullende korting door van 10%. Daarna zal de sector zelf deze taken moeten vervullen.

 

In de nieuwe basisinfrastructuur worden geen jaarlijkse exploitatiesubsidies meer verleend. Het kabinet zal de eenjarige instellingssubsidies, bedoeld voor het exploitatietekort van erfgoedinstellingen in 2013 beëindigen. Daarbij kan 2012 als een overgangsjaar worden beschouwd, waarin de instellingen zich kunnen voorbereiden op de situatie zonder rijkssubsidie.

 

In zijn advies doet de Raad een aantal inhoudelijke voorstellen over het museumbestel en kondigt aan daarover met een nader advies te zullen komen. Ook de Vereniging van Rijksgesubsidieerde Musea heeft aangekondigd ten principale een aantal uitgangspunten van het huidige museale bestel ter discussie te willen stellen. Ik onderschrijf de wenselijkheid van een herijking van het museumbestel, inclusief de wetenschappelijke functie van musea. Maar zoals de Raad ook aangeeft, dient een dergelijke herijking zorgvuldig te geschieden. Voorstellen daartoe kunnen dan ook niet meer worden meegenomen voor de periode 2013-2016. Ik zal de Raad een gerichte adviesaanvraag over een vernieuwd museumbestel sturen. Ik geef de Raad mee daarbij de effecten van de bovenstaande maatregelen en de visie van het veld zelf te betrekken. De uitkomsten ervan kunnen dan worden benut bij de vormgeving van het museumbestel na 2016. Om de implementatie daarvan te faciliteren, ben ik voornemens om de huidige beheersovereenkomsten met de musea op te zeggen. Daarvoor geldt een opzegtermijn van 4 jaar.

 

 

 

budget (x 1000)

Totaal erfgoed

143.460

Musea

137.320

Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie

5.090

Stichting DEN

570

Nederlands Centrum voor Volkscultuur

480

 

 

 

 

Het kabinet zet bij de beeldende kunst in op het stimuleren van ondernemerschap, de versterking van marktwerking, een betere aansluiting tussen productie en presentatie en vergroting van publieksbereik. Meer dan in andere sectoren is in de relatie tussen overheid, kunstenaar en publiek bij de beeldende kunst al veel veranderd. De overheid speelde met het zogenaamde BKR-beleid in de jaren zestig, zeventig en tachtig een grote rol. De Raad stelt hierover in zijn advies dat ‘gaandeweg het onderscheid tussen de overheid als hoeder van kunst enerzijds en de markt als schakel tussen vraag en aanbod anderzijds steeds diffuser is geworden’.

 

Intussen zijn er positieve ontwikkelingen in de sector te zien. De kunstvakopleidingen hebben kwaliteit. Er is voldoende talent aanwezig. Ook het ondernemerschap bij kunstenaars neemt toe. Beeldend kunstenaars treden steeds meer naar buiten, opereren meer in de markt, leggen relaties met het bedrijfsleven en met andere publieke domeinen en weten beter een publiek te vinden. Daarnaast kent Nederland een aantal presentatie-instellingen en hedendaagse (veelal gemeentelijke) kunstmusea van internationale statuur. Ook de galeries professionaliseren zich. Het aantal kunstbeurzen groeit en de diversiteit van het aanbod neemt toe. Daardoor bereiken zij niet meer alleen de elite, maar wordt een breed publiek aangesproken.

De rol van de overheid is marktaanvullend. Het gaat dan om de ontwikkeling van toptalent, het mogelijk maken van aanbod dat niet in de markt tot stand komt en het stimuleren van een groter publieksbereik. Er is nog wel meer samenwerking en samenhang tussen de verschillende ketenonderdelen nodig.

 

De verantwoordelijkheid van de rijksoverheid blijft zich richten op het versterken van de internationale kwaliteit en positie van de hedendaagse beeldende kunst. Daarom volgt het kabinet het advies van de Raad om 6 presentatieinstellingen in de basisinfrastructuur te behouden, gespreid over het land (4 grote en 2 kleinere). Met de Raad ben ik van mening dat het voor de ontwikkeling van de hedendaagse beeldende kunst van belang is dat internationale netwerken gestimuleerd en onderhouden worden. Naast de presentatie-instellingen blijft in de nieuwe basisinfrastructuur ruimte voor een fotomuseum. Het kan voor de periode 2013-2016 een aanvraag doen als museum en zal aan de daarvoor geldende criteria moeten voldoen.

 

Het rijk stopt de financiering van postacademische instellingen. Het rijk financiert de komende vier jaar enkel de verdere ontwikkeling van 50 beeldend kunstenaars die zich hebben bewezen als toptalent, omdat er in tegenstelling tot muziek, theater en film op dit moment bij de beeldende kunst geen gezelschappen, producenten of andere opdrachtgevers zijn die toptalent ruimte bieden. Ook in deze sector wil ik de internationale top op hoog niveau houden. Deze 50 plekken kunnen over meerdere instellingen verdeeld zijn. In de toekomst wil het kabinet de verdere ontwikkeling van talent op een andere wijze stimuleren. De verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van excellentie zal dan volledig worden overgelaten aan de kunstenaar zelf, het kunstvakonderwijs en de markt. Het doel is het systeem meer vraaggestuurd en marktgericht vorm te geven. Het fonds zal dit beleid ondersteunen via beurzen.

 

Het kabinet wijkt af van het advies van de Raad om een aparte functie in de basisinfrastructuur te behouden voor behoud, beheer en presentatie van mediakunst. Deze wordt niet langer ondersteund, omdat het hier niet gaat om een rijkscollectie. Bovendien ligt de verantwoordelijkheid voor het behoud van belangrijk werk op dit gebied bij de kunstmusea. Ook zal het rijk de functie van internationaal festival niet meer financieren: hedendaagse kunstmusea presenteren kunst van internationale kwaliteit al voldoende en het fonds ondersteunt de presentatie van Nederlandse beeldende kunst op internationale biënnales en festivals. Voor de ondersteuning van opdrachtgeverschap zal geen aparte instelling in de nieuwe basisinfrastructuur worden opgenomen. Stimulering van opdrachtgeverschap blijft van belang, maar kan beter op programmatische wijze worden ingevuld door de Mondriaan Stichting, in samenhang met andere stimuleringsmaatregelen. Dit bevordert de slagkracht. Hierop kom ik bij de behandeling van het fonds terug.

 

Fonds voor beeldende kunst en erfgoed

 

De fondsen – de Mondriaan Stichting en het Fonds BKVB – spelen een cruciale rol op het gebied van beeldende kunst en erfgoed. Het Fonds BKVB is het productiefonds, de Mondriaan Stichting het afnamefonds. Het kabinet wil de relatie tussen de kunstenaar en de markt versterken en het publiek directer bij beeldende kunst te betrekken. In de afgelopen jaren is gebleken dat een strikt onderscheid tussen productie en afname steeds minder te maken is. Bij de fondsen nam de overlap toe. Ontwikkelingen bij kunstenaars en in de internationale kunstsector vragen om een beleid dat aanbod en afname met elkaar in verbinding brengt. Hier zet het kabinet dan ook op in: het fuseert de twee fondsen. Dat zal deze zomer gebeuren.

 

Ik vraag het gefuseerde fonds om zijn gehele instrumentarium in samenhang te bezien. De hierboven geschetste problematiek bij de relatie tussen markt, kunstenaar en publiek en de bezuiniging op het budget vragen immers om nieuwe maatregelen. Om de focus van het gefuseerde fonds verder te verscherpen zullen de middelen voor architectuur, vormgeving en de gaming–regeling (€ 4,2 miljoen) worden overgeheveld naar het nieuwe Fonds voor de Creatieve Industrie. Dit zal verder in deze brief worden behandeld.

 

Het kabinet vindt dat binnen de beeldende kunst er zowel aandacht moet zijn voor zowel afname als productie. Wel zal er een duidelijke verschuiving moeten komen naar meer aandacht voor de markt en het publiek. Hieronder geef ik een aantal prioriteiten aan het fonds mee die verder uitgewerkt moeten worden in het beleidsplan.

 

Bij de productie van beeldende kunst verwacht het kabinet dat het fonds inzet op een meer vraaggestuurd instrumentarium. Daarvoor gelden drie doelen:

· het ontwikkelen van toptalent, zowel jong als bewezen talent, om vernieuwend en toonaangevend aanbod mogelijk te maken dat niet in de markt tot stand komt;

· het versterken van ondernemerschap, door de relatie tussen productie en presentatie en tussen aanbod en publiek te stimuleren;

· het versterken van het (privaat) opdrachtgeverschap, zodat ook in het bedrijfsleven en publieke domeinen buiten de cultuursector het beeldende kunstaanbod meer zichtbaar wordt.

 

Bij het ontwikkelen van toptalent gaat het om jong talent en bewezen talent.

 

Jong talent: het rijk heeft een verantwoordelijkheid voor goed kunstvakonderwijs. Dat moet talent ontwikkelen en kunstenaars voorbereiden op de arbeidsmarkt. De opleidingen moeten daarom het ondernemerschap van de aankomende kunstenaar stimuleren en de studenten de vaardigheden en kennis aanreiken om een rendabele beroepspraktijk op te bouwen. Na het verlaten van het onderwijs is het aan de kunstenaar zijn eigen weg te vinden. Daarom zal het kabinet pas afgestudeerde kunstenaars met talent blijven ondersteunen, maar er komen minder startstipendia beschikbaar. Het kabinet is het met de Raad eens dat nog scherpere keuzes gemaakt moeten worden. Het aantal startstipendia voor pas afgestudeerde kunstenaars wordt daarom teruggebracht van 75 naar 50 per jaar. Daarmee is voor 10% van de ca. 500 jaarlijkse alumni op het gebied van de autonome beeldende kunst een stipendium beschikbaar.

 

Bewezen talent: de ontwikkeling van bewezen talent wil het kabinet in de toekomst niet meer via aparte instellingen in de basisinfrastructuur stimuleren, maar via de kunstenaar zelf. De rol van de beeldend kunstenaar als creatief ondernemer zal voorop komen te staan. Dat sluit beter aan bij de ontwikkeling van de nieuwe generatie beeldend kunstenaars. Het fonds zal een beperkt aantal beurzen aan kunstenaars met bewezen talent beschikbaar stellen, waarmee ze zelf diensten op het gebied van praktijkverdieping of nascholing in kunnen kopen, eventueel ook buiten de landsgrenzen. De huidige instrumenten van het Fonds BKVB om in het buitenland ervaring op te doen blijft een belangrijk aandachtspunt. De beeldende kunstsector is immers een internationale sector: kunstenaars dienen zich met hun internationale collega’s te kunnen meten. De Prix de Rome voor jong talent op het gebied van beeldende kunst en architectuur breng ik onder bij het gefuseerde fonds voor beeldende kunst en erfgoed, om de samenhang in de activiteiten op het gebied van talentontwikkeling te waarborgen.

 

Daarnaast zullen scherpere keuzes gemaakt moeten worden bij de toekenning van subsidies aan kunstenaars voor het maken van vernieuwend en toonaangevend aanbod. Net als de Raad ben ik immers van mening dat het kwaliteitscriterium nog verder kan worden aangescherpt. Het rijk heeft slechts een beperkte verantwoordelijkheid en kiest voor de top. Het budget voor de werkbudgetten en basisstipendia bij het fonds zal worden gehalveerd naar € 5 miljoen.

 

Ondernemerschap: ik geef het fonds de opdracht om de stipendia niet alleen te beperken, maar ook om deze om te vormen. De huidige subsidies met het karakter van een inkomensvoorziening worden stopgezet. Zowel de startstipendia voor pas afgestudeerde kunstenaars als stipendia voor bewezen talent en werkbudgetten moeten worden omgevormd tot subsidies waarmee ondernemerschap gestimuleerd wordt en voorwaarden worden gesteld aan de presentatie van werk. De regelingen moet meer vraaggestuurd worden ingericht, door betrokkenheid van hedendaagse kunstmusea, galeries, presentatie-instellingen of andere podia. Bovendien zal het instrumentarium van het fonds meer investeringsgericht zijn, zodat bij financieel succes terugbetalingsvoorwaarden gesteld worden.

 

Opdrachtgeverschap: naast maatregelen die gericht zijn op de kunstenaar, zal ook het opdrachtgeverschap verder worden gestimuleerd. Het Fonds BKVB heeft hiermee al een stap gezet door de invoering van de zogenaamde matching grants, waarmee opdrachtgevers uit het bedrijfsleven en publieke domeinen buiten de cultuursector gestimuleerd worden om opdrachten te geven aan kunstenaars om een specifiek werk te maken. Ik vraag het fonds zijn beleid op dit gebied verder te ontwikkelen en uit te breiden.

 

Met betrekking tot de afname van kunst zal het publieksbereik een belangrijker criterium worden. Het gaat dan niet alleen om de grootte van het publiek, maar ook om de samenstelling. Doelen hierbij zijn:

· het stimuleren van vernieuwing op het gebied van de presentatie van kunst om een nieuw en zo breed en groot mogelijk publiek te bereiken;

· het vormgeven aan een aanvullende rol op de financiering van gemeenten van toonaangevende tentoonstellingen van presentatie-instellingen, hedendaagse kunstmusea en erfgoedinstellingen

· het presenteren en promoten van Nederlandse kunst in het buitenland met marktverruiming als doel.

· het stimuleren van het kopen van kunst door bedrijven en particulieren.

 

Het kabinet vraagt het fonds zijn regelingen zodanig aan te passen dat nog meer dan nu het publieksbereik wordt vergroot. Ook bij de afnameregelingen geldt dat bewerkstelligd moet worden dat de verschillende ketenonderdelen meer op elkaar aansluiten en er meer wordt samengewerkt tussen kunstenaars, galeries, presentatie-instellingen en kunstmusea. Het kabinet kiest ervoor de project- en programmeringsubsidies te behouden voor presentaties en tentoonstellingen die inhoudelijk een duidelijke meerwaarde hebben ten opzichte van al bestaand aanbod en waarbij publieksbereik een belangrijke rol speelt. Juist de vernieuwing van presentatievormen om kunst toegankelijker te maken voor een groot publiek moet hierbij gestimuleerd worden. Ook zal het fonds aandacht blijven besteden aan veiligheidszorg bij musea en andere erfgoedprogramma’s.

 

Bij ondersteuning van projecten blijft externe financiering van groot belang. Nu al financiert de Mondriaan Stichting niet meer dan 40% van de kosten van een project. Ik vraag het fonds te onderzoeken of het de aanjagende functie nog kan versterken en uit te gaan van een hoger aandeel van andere partijen. Ook het aankoopfonds van de Mondriaan Stichting werkt als katalysator en is een goed voorbeeld van publiek-private samenwerking. Dit wil het kabinet nog meer stimuleren. De Kunstkoopregeling voor particulieren blijft voorlopig behouden. Het is een succesvol vraaggestuurd instrument dat direct gericht is op de consument, waar de markt nog geen succesvol alternatief voor heeft kunnen ontwikkelen. Het beleid van het fonds dient er echter op gericht te zijn dat de markt deze rol in de toekomst zelf vervult.

 

Het kabinet vindt internationalisering van groot belang, juist met betrekking tot de beeldende kunstsector die in een internationale context functioneert. Taken op het gebied van de internationale promotie van beeldende kunst en erfgoed blijven daarom behouden. Wel vraagt het promotiebeleid om een focus op een beperkt aantal landen en een beperkt aantal internationale kunstbeurzen. Marktverruiming is hierbij het uitgangspunt.

 

Om een helder onderscheid tussen de basisinfrastructuur en het fonds te houden, zal het fonds ook in de toekomst geen instellingssubsidies verstrekken aan presentatie-instellingen. Ik wijk hiermee af van het advies van de Raad. Ook zal het fonds geen tijdschriften meer subsidiëren. Het kabinet legt de verantwoordelijkheid hiervoor volledig bij de markt.

 

 

budget (x 1000)

Totaal beeldende kunst

31.770

Presentatie instellingen

2.400

Museum voor de fotografie

1.210

Ontwikkeling bewezen talent

2.500

Fonds

25.660

 

Het kabinet blijft inzetten op de productie en verhoging van de kwaliteit van Nederlandse films, versterking van de markt voor Nederlandse films en het behoud en beheer van cinematografisch erfgoed. Het wil het marktaandeel van de Nederlandse film behouden. Dit marktaandeel ligt de laatste jaren hoog (2010: 16%), nadat het in de jaren negentig een dieptepunt kende (1994: 0,8%). Ook wil het kabinet de internationale positie van de Nederlandse film versterken door coproducties en internationale financiering en samenwerking te stimuleren. Met een scherpere selectie moet een sterk filmaanbod gerealiseerd worden. Het Filmfonds speelt hierin een centrale rol.

 

Het Filmfonds richt zich bij de filmproductie op de ontwikkeling, productie en distributie van zowel arthouse als mainstream films, documentaire en animatie. Ook heeft het fonds taken op het gebied van talentontwikkeling, R&D en professionalisering. In de afgelopen periode heeft het fonds belangrijke stappen gezet om het instrumentarium te vereenvoudigen door de beoordeling meer op basis van objectieve criteria te laten plaats vinden. Het heeft een systeem ontwikkeld waarbij een deel van de opbrengsten terugvloeit naar het Filmfonds en de producent. Daarmee wordt het ondernemerschap van de producent gestimuleerd en kan deze weer investeren in een volgend project. Het kabinet vraagt het fonds extra stappen te zetten door meer met leningen en garanties te werken en de recoupmentpositie van het fonds en de producent te versterken. De rol van het Filmfonds in de productie t.o.v. (semi-)marktpartijen moet gelijkwaardiger zijn. Het kabinet verwacht een inzet van de gehele keten bij de financiering van films.

 

Het leeuwendeel van de activiteitenlasten van het fonds wordt gevormd door de productie van films (81%). Op dit budget zal worden bezuinigd. Wel moet er evenwicht blijven in de financiering van de verschillende genres: arthouse, mainstream, documentaire en animatie. Dit om beleidsmatig recht te doen aan zowel het belang dat het Nederlandse bioscooppubliek toekent aan Nederlandse films, als het belang om de productie van artistiek waardevolle films blijvend te ondersteunen, zodat de Nederlandse filmsector internationaal aansluiting vindt.  

 

Het Filminstituut EYE verhuist binnenkort naar een nieuw museumgebouw. Vanwege de druk op het budget moet EYE zijn activiteiten concentreren op de kerntaak: het beheren en ontsluiten van de collectie. Dit is ook wat de Raad voor Cultuur adviseert. Met de Raad is het kabinet van mening dat EYE in staat moet worden gesteld de stijging van de huisvestingslasten op te kunnen brengen om zijn collectietaak goed te kunnen vervullen. Het kabinet neemt bovendien het advies van de Raad over de distributietaken van EYE over: een instelling met ondersteunende functies moet niet als distributeur optreden. Dit is een rol voor de markt. Daarom zal het rijk de distributietaak niet meer financieren.

 

Festivals spelen in de filmsector een cruciale rol als aanjager voor distributie en als publicitaire show case. Dat geldt zowel buiten als binnen de landsgrenzen. Bovendien weet een aantal festivals in Nederland een groot publiek te bereiken. Vanwege het belang van festivals voor de sector wil het kabinet ruimte reserveren in de basisinfrastructuur voor 2 internationale festivals met een groot publieksbereik. Daarbij moet er, zoals de Raad adviseert, sprake zijn van festivals met een internationale betekenis en uitstraling. Naast 2 internationale festivals voor resp. arthouse films en documentaire is er in de basisinfrastructuur ruimte voor 1 festival dat zich richt op de presentatie van actueel of vernieuwend aanbod op het terrein van de Nederlandse film. Dit festival weet een groot publiek te bereiken en functioneert als platform voor de uitwisseling tussen professionals. Het Filmfonds blijft beschikken over een budget voor festivals om daarnaast nog een aantal festivals met een landelijk belang te ondersteunen.

 

Talentontwikkeling, scholing en praktijkverdieping na het kunstvakonderwijs is een taak van de sector zelf. Daarom is er geen plaats meer in de basisinfrastructuur voor de 2 postacademische instellingen op het gebied van film. Net als de andere fondsen heeft het Filmfonds een rol op het gebied van vernieuwing en talent, ook in internationaal verband. Ik vraag het fonds hier een grote rol in te spelen.

 

 

Budget (x 1000)

Totaal film

37.950

Filmfestivals

2.420

Ondersteunende instelling film

6.680

Fonds

28.850

 

In vergelijking met de inspanningen van de markt is de rol van de overheid in de letteren bescheiden. De rijksoverheid vervult een marktaanvullende of regulerende rol. Ik houd aan deze verdeling vast. Wel ben ik van mening dat ook de letterensector goed kan functioneren met minder instellingen in de basisinfrastructuur.

 

In de basisinfrastructuur is plaats voor instellingen die zich richten op literaire activiteiten die niet of onvoldoende via de marktsector tot stand komen. Omdat het kabinet kiest voor een compacte basisinfrastructuur, kunnen ontwikkelinstellingen en festivals een aanvraag indienen bij het Nederlands Letterenfonds. Het advies van de Raad voor Cultuur ondersteunt deze keuze. In afwijking van het Raadsadvies worden de instellingen op het gebied van literatuureducatie, met een geoormerkt budget, ondergebracht bij de landelijk coördinerende instelling voor leesbevordering. Ten eerste omdat deze instelling op dit gebied al coördinerend optreedt, ten tweede omdat literatuureducatie een kerntaak is van deze instelling. Ook instellingen die zich richten op het behoud en de toegankelijkheid van het Nederlandse literaire en journalistieke erfgoed maken deel uit van de basisinfrastructuur. Op dit moment zijn er plaatsen voor een museum voor literair en een museum voor journalistiek erfgoed. Zij kunnen ook voor de periode 2013-2016 een aanvraag doen als museum.

 

Door de overheveling van verschillende instellingen verandert de rol van het Nederlands Letterenfonds. Ik zal het fonds opdragen zijn subsidieregelingen aan te passen. Binnen het financiële kader moeten er keuzes worden gemaakt. Het fonds zal in de jaren 2013-2016 voorrang geven aan het vertaalbeleid en digitale innovatie. Ik zal het fonds ook opdragen, in lijn met het Raadsadvies, de komende jaren minder budget te besteden aan werkbeurzen voor auteurs. Ook de ondersteuning van literair-historische uitgaven wordt beperkt. Vanwege het geringe publieksbereik zal het fonds de ondersteuning van literaire tijdschriften stopzetten.

 

 

budget (x 1000)

Totaal letteren

15.860

Museum voor literair erfgoed

2.660

Museum voor journalistiek erfgoed

330

Ondersteunende instellingen

3.060

Fonds

9.810

 

Het kabinet heeft de creatieve industrie aangewezen als een van de topgebieden die een

belangrijke economische en maatschappelijke meerwaarde voor Nederland hebben. Het topteam

creatieve industrie brengt in juni advies uit aan de minister van EL&I. Na de zomer komt het

kabinet in reactie hierop met een toekomstagenda. Het advies van het topteam zal ik bij de

verdere uitwerking betrekken. In deze paragraaf gaat het om de keuzes voor de

basisinfrastructuur. De inspanningen van het rijk zijn breder. Zo wil ik samen met andere

departementen het architectuurbeleid voortzetten. Op basis van de tussenevaluatie van het

lopende beleid en de adviezen van de Raad voor Cultuur en het College van Rijksadviseurs zal het

kabinet de opvolger van de huidige architectuurnota inhoudelijk voorbereiden. Hieronder gaat het

om de keuzes voor de culturele basisinfrastructuur.

 

Het kabinet wil de kracht van architectuur, vormgeving en nieuwe media - sectoren die sterk marktgericht zijn - maximaal benutten. In al deze disciplines gaat artistieke kwaliteit samen met functionaliteit. Ze dragen bij aan oplossingen voor onze leefomgeving en versterken onze economie. Voor het benutten van die kracht zijn verbindingen belangrijk: tussen de disciplines onderling en tussen de disciplines en maatschappelijke en zakelijke partners. In lijn met de inhoudelijke accenten die de Raad legt, zet ik daarom in op het stimuleren van goed opdrachtgeverschap bij de verschillende overheden en private partijen. In het instrumentarium komt meer aandacht voor sectoroverstijgende samenwerking en matchmaking tussen ontwerpers en producenten. Een aandachtspunt is het voorkomen van concurrentievervalsing. Ook is het met oog op de complexe en veranderende opgaven van belang om te blijven inzetten op innovatie en talentontwikkeling. Ik zal de Raad binnenkort om aanvullend advies vragen op het gebied van publiek opdrachtgeverschap.

 

De vraagstukken zijn steeds meer domeinoverstijgend, maar de overheidsmiddelen zijn versnipperd. Het flexibel in kunnen spelen op vraagstukken vanuit de markt en maatschappij vraagt om een programmatische aanpak. Ik kies daarom voor een compacte basisinfrastructuur. Deze infrastructuur bestaat uit 1 fonds en 1 ondersteunende instelling voor de creatieve industrie.

 

Het huidige Stimuleringsfonds voor Architectuur wordt omgevormd tot een Fonds voor de Creatieve Industrie. De budgetten van de Mondriaan Stichting en het Fonds BKVB op het gebied van vormgeving, architectuur en gaming worden hier ondergebracht. Daarnaast worden middelen voor opdrachtgeverschap die nu belegd zijn bij 2 ontwikkelinstellingen overgeheveld naar het fonds. Dit geldt ook voor de huidige budgetten van de 6 ontwikkelinginstellingen op het gebied van nieuwe media, 2 op het gebied van vormgeving en 1 op het gebied van architectuur.

 

Het nieuwe Fonds voor de Creatieve Industrie richt zich op de disciplines architectuur, vormgeving en nieuwe media. Het heeft als missie om de maatschappelijke en economische meerwaarde van de creatieve industrie te vergroten, zowel in Nederland als internationaal. Dit fonds richt zich op het stimuleren van de kwaliteit van het Nederlands ontwerp en het vergroten van de sectoroverstijgende aanpak en samenwerking met private partijen, particulieren en overheden. Het fonds heeft onder andere als taak om programma’s uit te voeren die bijdragen aan het aanpakken van maatschappelijke en ruimtelijke vraagstukken en goed opdrachtgeverschap bevorderen. Ook talentontwikkeling en R&D is een taak van het fonds. Er is daarom geen aparte functie meer in de basisinfrastructuur voor de postacademische instelling, prijzen voor talentontwikkeling en ontwikkelinstellingen. Omdat het fonds R&D gaat ondersteunen en dit vraagt om een projectmatige aanpak, zal het geen instellingssubsidies voor dit doel verstrekken.

 

In de creatieve industrie zijn in vergelijking met andere sectoren veel ZZP’ers en zelfstandig ondernemers actief. Zij kunnen gebruik maken van verschillende generieke ondersteuningsmogelijkheden voor ondernemers op rijksniveau en lokaal. Het fonds speelt een aanvullende rol met (achtergestelde) leningen of in specifieke gevallen met subsidies. Bij renderende activiteiten verwacht ik dat de ingelegde overheidsmiddelen terugvloeien en opnieuw kunnen worden ingezet voor andere projecten.

 

Het Nederland Architectuurinstituut, de Premsela Stichting en het Virtueel Platform worden samengebracht en zullen 1 ondersteunende instelling voor de creatieve industrie vormen. Uitgangspunt is dat de kracht en de sterke merken van de instellingen behouden blijven, net als de zichtbaarheid van de afzonderlijke disciplines architectuur, vormgeving en nieuwe media. Het onderbrengen van deze disciplines in een instelling sluit aan op inhoudelijke ontwikkelingen in de sector, waarin verschillen tussen disciplines steeds meer verdwijnen. Het Nederlands Architectuurinstituut heeft een sterke collectiefunctie. Voor de andere disciplines geldt dat er geen collecties zullen worden gefinancierd. De opbouw van een collectie is een taak van musea.

 

Vanuit het perspectief van het cultuurbeleid past er geen aparte functie in de culturele basisinfrastructuur voor een festival dat zich vooral richt op de vakgemeenschap en ontwerpend onderzoek. Ik verwacht dat deze taak door verschillende bestaande instellingen en met de inbreng van andere partijen kan worden gewaarborgd.    

 

 

budget (x 1000)

Totaal architectuur, vormgeving en nieuwe media

19.210

Ondersteunende instelling, waarvan:

-activiteiten architectuur

-activiteiten vormgeving

-activiteiten nieuwe media

7.810

4.770

2.510

530

Fonds

11.400

 

 

Cultuur draagt bij aan persoonlijke ontwikkeling en aan de creativiteit van onze samenleving als geheel. In het regeerakkoord is opgenomen dat actieve cultuurparticipatie van belang blijft, vooral bij de beoefening van amateurkunst en volkscultuur. Ik wil mij bij cultuureducatie vooral richten op de jeugd. Om kinderen en jongeren op het gebied van cultuur een stevig fundament te bieden neemt het kabinet binnen het programma Cultuureducatie met kwaliteit maatregelen om scholen en culturele instellingen in staat te stellen de kwaliteit van cultuureducatie te versterken (zie paragraaf 1.3).

 

De amateurkunst in Nederland staat sterk. Ruim de helft van de Nederlandse bevolking onderneemt in zijn vrije tijd kunstzinnige activiteiten: door lessen te volgen, door beeldende kunst te maken of voor een uitvoering te oefenen. Dat gebeurt in talloze vormen: er is een particuliere markt voor kunstbeoefening, er zijn informele verbanden, en er zijn centra voor de kunsten en muziekscholen. Nederland beschikt dus over een levendige amateurkunstsector.

De amateurkunstsector staat voor de uitdaging aansluiting te houden bij de veranderende wensen van beoefenaars. Ik wil de vernieuwing die daarvoor nodig is met een programma ondersteunen. Op landelijk niveau worden de vele vrijwilligers in de sector amateurkunst ondersteund met deskundigheidsbevordering, kennis en netwerken. Een landelijke monitor amateurkunst brengt landelijke ontwikkelingen ten aanzien van het voorzieningenniveau in kaart.

 

 

 

 

 

 

Voor de ondersteuning van cultuureducatie en amateurkunst kiest het kabinet voor een kleinere en efficiëntere basisinfrastructuur. Het Fonds voor Podiumkunsten en Cultuurparticipatie krijgt voor het participatiedeel een opdracht voor de volgende drie programma’s:

· Landelijk flankerend beleid ten behoeve van scholen, leraren en culturele instellingen binnen het programma Cultuureducatie met kwaliteit.

· Een programma talentontwikkeling gericht op de ondersteuning van jong talent in de fase voorafgaand aan het kunstvakonderwijs. Dit programma richt zich bijvoorbeeld op buitenschoolse projecten en concoursen.

· Een programma innovatie amateurkunst gericht op de actieve kunstbeoefening. Dit programma ondersteunt beoefenaars, verenigingen en instellingen bij het inspelen op de veranderingen in de kunstbeoefening zoals het rapport Toekomst Kunstbeoefening van het Sociaal en Cultureel Planbureau die schetst. Ook wordt binnen dit programma een aantal pilots gefinancierd in het kader van de uitvoering van het UNESCO-verdrag immaterieel erfgoed.

 

Er komt in de plaats van de bestaande instellingen Kunstfactor en Cultuurnetwerk één kennisinstituut voor amateurkunst en cultuureducatie. Dit instituut werkt disciplineoverstijgend, ondersteunt het programma Cultuureducatie met kwaliteit en krijgt de volgende taken:

· Professionalisering van de educatiefunctie in de cultuursector en deskundigheidsbevordering binnen de amateurkunst. Educatie wordt een voorwaarde voor culturele instellingen die het rijk financiert. Met de andere overheden wil ik afspraken maken over educatietaken bij de instellingen die zij financieren. Informatievoorziening, studiedagen en het in kaart brengen van het opleidingenaanbod kan culturele instellingen helpen om hun educatieve functie beter vorm te geven. De afstemming tussen lokale en landelijke ondersteuning kan beter. Dit geldt ook voor de deskundigheidsbevordering van het bestuurlijk en artistiek kader in de amateurkunst.

· Landelijke informatie- & netwerkfunctie. Voor zowel amateurkunst als cultuureducatie gaat het om het samenbrengen van relevante kennis over actuele ontwikkelingen en kennis die over de sectoren uit onderzoek beschikbaar is, en het verspreiden van die kennis. Voor cultuureducatie gaat het om netwerken binnen en tussen cultuur, onderwijs en overheden, zoals de afgelopen jaren gevormde netwerken van Interne CultuurCoördinatoren, Pabo’s, lerarenopleidingen voor voortgezet onderwijs en brede scholen. Voor de amateurkunst gaat het om netwerken van amateurkoepels, buitenschoolse kunsteducatie en het kunstvakonderwijs.

· Onderzoek & monitoring. Een goede en gedegen opzet en uitvoering van een onderzoeksagenda voor amateurkunst en cultuureducatie is belangrijk voor de beleidsontwikkeling. Kenniskringen van universiteiten, hogescholen, het kunstvakonderwijs en overheden dragen bij aan de uitvoering van het programma Cultuureducatie met kwaliteit.

 

Het kennisinstituut zal nauw samenwerken met het fonds. Binnen het kennisinstituut zal ook de ondersteuning voor erfgoededucatie, die nu is belegd bij Erfgoed Nederland, worden opgenomen.

 

 

budget (x 1000)

Totaal cultuureducatie en amateurkunst

17.020

Ondersteunende instelling

4.760

Fonds

12.260

 

 

 

Ons mediagedrag en informatiegebruik zijn door digitalisering en internet sterk veranderd. De bibliotheeksector zal zich moeten aanpassen en vernieuwen. Maar dit betekent niet dat bibliotheken minder belangrijk zijn dan vroeger. Voor veel mensen in ons land is de bibliotheek nog steeds de meest laagdrempelige en vertrouwde toegangspoort tot informatie en cultuur. Ook de faciliterende rol van de bibliotheek voor het onderwijs vind ik van belang. Daarom zal ik blijven investeren in de innovatie van deze sector, vooral de digitale innovatie.

 

Binnen het decentrale bibliotheekstelsel vervult de rijksoverheid een specifieke rol. De rijksoverheid draagt een generieke stelselverantwoordelijk die gericht is op het bevorderen van samenhang en kwaliteit. De rijksoverheid investeert in de landelijke digitale bibliotheek, daarnaast is er nieuwe bibliotheekwetgeving in voorbereiding.

 

Het Sectorinstituut Openbare Bibliotheken (SIOB) speelt bij de invulling en uitwerking van het bibliotheekbeleid een belangrijke, regisserende rol. Vooral op het terrein van de digitale innovatie vervult het SIOB een aanvullende rol ten opzichte van de bibliotheekbranche. Om overlap in de taken tussen branche en SIOB te voorkomen en omdat ik een compacte ondersteuning in de cultuur wenselijk en noodzakelijk vind, kort ik het budget van het SIOB met 50%. Het SIOB zal zijn ambitieniveau moeten aanpassen. Het resterende budget biedt voldoende perspectief voor een adequate invulling van de regietaken die bijdragen aan het versterken van de samenhang en de kwaliteit van het decentrale stelsel. Het budget voor de lectuurvoorziening voor leesgehandicapten zal alleen generiek worden gekort (2,2% in 2012 en ca. 5% in 2013). Ook de middelen voor bibliotheekvernieuwing worden ontzien en daarom alleen generiek gekort.

 

Eind 2010 heeft het kabinet besloten de positie van het SIOB te versterken door middel van een omvangrijke opdrachttaak op het gebied van digitale innovatie. Het SIOB zal deze taak vanaf 2012 uitvoeren; deze uitvoering biedt voldoende mogelijkheden voor positieversterking. Ik ben van plan deze taak ook in de periode 2013-2016 door het SIOB te laten uitvoeren.

 

In de sectoranalyse bibliotheken uit de Raad zijn zorgen over de ontwikkelingen in de sector. Nog voor het zomerreces ontvangt de Kamer een brief over de bibliotheekwetgeving. Ik zal daarin ook reageren op een aantal observaties van de Raad.

 

 

budget (x 1000)

Totaal bibliotheken

14.440

Ondersteunende instelling

14.440

 

 

 

De nieuwe basisinfrastructuur zal geen ruimte meer bieden voor ontwikkelinstellingen op het gebied van culturele diversiteit. Het kabinet vindt dit een taak van instellingen zelf en voert hiervoor geen specifiek beleid.

 

 

Onderzoek en statistiek zijn belangrijk om de maatschappelijke en economische betekenis van cultuur in beeld te brengen. Het verzamelen en toegankelijk maken van sectorinformatie is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de sector zelf. Het rijk zal meer samenwerken met de sector op het gebied van onderzoek, verantwoording en ontsluiting van informatie, onder andere door het opstellen van informatieprotocollen. Hier is al een begin mee gemaakt met de publicaties Kunst in Cijfers (2010) en Cultuur in Beeld (2011).

 

De overheid kan een rol spelen door het delen van kennis en het stimuleren van de onderlinge afstemming bij onderzoek en statistiek, ook in internationaal verband. Met de cultuurfondsen en andere gesubsidieerde instellingen ga ik aanvullende afspraken maken over het leveren van gegevens over de activiteiten van instellingen. Verder zal meer aansluiting worden gezocht bij initiatieven van brancheorganisaties, zoals die van schouwburgen en bioscopen. Ook de onderlinge afstemming van onderzoek wil ik verbeteren. De samenwerking met planbureau’s en (rijks)onderzoeksinstellingen zoals het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Sociaal Cultureel Planbureau zal worden uitgebreid. Ten slotte biedt de basisinfrastructuur ruimte aan 1 bovensectorale instelling die kennis en informatie verzamelt en verspreidt voor publiek, de cultuursector en de overheid. Deze organisatie moet vanuit een onafhankelijke positie samenwerken met alle relevante partijen. In de basisinfrastructuur is geen ruimte meer voor een instelling die zich richt op debat. Dit is een taak van de cultuursector zelf en de markt.

 

 

Budget (x 1000)

Totaal onderzoek en statistiek

710

ondersteunende instelling onderzoek en statistiek

710

 

 

De cultuurfondsen spelen een belangrijke rol in het cultuurstelsel, en dat zullen ze blijven doen.

Ze zijn bij uitstek geschikt de dynamiek en vernieuwing in de cultuur op de voet te volgen en hier op in te spelen. Met hun gevarieerde instrumentarium en inhoudelijke expertise zijn zij daarvoor geschikter dan de vierjarige financiering via de basisinfrastructuur.

 

In de afgelopen vijf jaar is het aantal fondsen teruggebracht van 9 naar 7. Ik wil het aantal fondsen verder terugbrengen en herschikken op een manier die beter past bij de huidige ontwikkelingen in sector en maatschappij. In tegenstelling tot de aankondiging in het regeerakkoord zullen niet alle fondsen worden samengevoegd tot 1 investeringsfonds. Al in mijn brief over de uitgangspunten van het cultuurbeleid heb ik aangegeven, dat mijn uitgangspunt ‘een meer investeringsgerichte aanpak’ is. In de zomer van 2010 heeft de departementale accountantsdienst onderzoek gedaan naar de bedrijfsvoering van de fondsen. Dit onderzoek trekt in twijfel of verdergaande fusie tussen de resterende fondsen doelmatigheidswinst oplevert. Ik onderschrijf dit.

Doordat de fondsen sectoraal zijn georganiseerd kunnen zij flexibel, snel en zeer gericht op sectorale ontwikkelingen inspelen. Onderlinge inhoudelijke verschillen tussen de fondsen zijn vooral te herleiden tot de karakteristieken van de sector. De relatief kleine organisaties voeren alle processtappen zelf uit. Daarmee is ketenregie en de koppeling en aansturing van processen goed geregeld. Subsidieaanvragen worden mede hierdoor binnen de afgesproken doorlooptijden afgehandeld. Deze werkwijze wordt door de aanvragers gewaardeerd. Uit klanttevredenheidsonderzoek blijkt dat fondsen tussen de 6,8 en 8,5 scoren, zelfs onder aanvragers die een afwijzing hebben ontvangen. De omvang van de organisaties is groot genoeg om de rechtmatigheid te borgen. Functiescheiding, 4-ogen controles en informatiebeveiliging zijn geborgd. Gemiddeld zijn bij een cultuurfonds 21,7 fte werkzaam. De feitelijke bezetting en het budget is per sector verschillend. De sectoren, doelgroepen en werkprocessen zijn zo verschillend dat het verder dan sectoraal bundelen van fondsen waarschijnlijk tot een extra coördinerende laag zou leiden. Tijdigheid en efficiency kunnen daarmee knelpunten worden. De slagkracht van de organisaties zou verzwakken. Daarom houd ik vast aan een sectorale indeling met een beperkt aantal fondsen.

 

Daarnaast heeft een investeringsfonds een andere doelstelling. Een dergelijk fonds is gericht op het behalen van economisch rendement uit haar investeringen, en werkt alleen voor bedrijven met een hoog marktpotentieel. De publieke cultuurfondsen hebben het oogmerk de kwaliteit en het maatschappelijk rendement van cultuur te vergroten. Bovendien bestaan bij het ministerie van EL&I al plannen voor een revolverend fonds, waarin bestaande instrumenten die gericht zijn op het vergroten van kapitaal voor bedrijven worden opgenomen. Dit geldt ook voor de seed-faciliteit, die open staat voor investeringsfondsen die willen participeren in technostarters en creatieve starters. Het lijkt me daarom weinig zinvol apart voor cultuur een investeringsfonds op te richten.    

 

Dit neemt niet weg dat er nog wel een aantal wijzigingen kan worden aangebracht die de inhoudelijke werkwijze van de fondsen kunnen versterken. De volgende wijzigingen zullen worden doorgevoerd. De middelen voor architectuur en vormgeving die nu zijn ondergebracht bij de Mondriaan Stichting en het Fonds BKVB worden gebundeld in het Stimuleringsfonds voor Architectuur, dat wordt omgevormd tot een Fonds voor de Creatieve Industrie. De middelen voor de beeldende kunst en erfgoed die nu bij de Mondriaan Stichting en het Fonds BKVB zijn onderbracht worden gebundeld in één fonds voor beeldende kunst en erfgoed. De Mondriaan Stichting en het Fonds BKVB fuseren nog deze zomer. Het Fonds voor Cultuurparticipatie zal samengaan met het Fonds Podiumkunsten. Het Filmfonds en het Nederlands Letterenfonds blijven zelfstandig bestaan. In totaal zijn er dan 5 fondsen:

· het Fonds Podiumkunsten en Cultuurparticipatie

· het Mondriaan Fonds voor beeldende kunst en erfgoed

· het Nederlands Fonds voor de Film

· het Nederlands Letterenfonds

· het Fonds voor de Creatieve Industrie.

 

Ik verwacht van de fondsen dat zij hun huidige instrumentarium hervormen om te komen tot een meer investeringsgerichte aanpak. Dit zal onderdeel moeten zijn van de plannen van de fondsen voor de nieuwe periode. Ze zullen hier specifiek op beoordeeld worden door de Raad voor Cultuur. De fondsen moeten met deze investeringsgerichte aanpak het ondernemerschap bij makers en instellingen stimuleren. Ik denk dan bijvoorbeeld aan instrumenten waarbij (delen van) de toegekende middelen terugvloeien, zodat ze kunnen worden ingezet voor nieuwe projecten. Daarnaast gaat het om een meer vraaggestuurd instrumentarium. Bij makers en instellingen moet niet de oriëntatie op subsidie, maar de mogelijkheden om eigen inkomsten te verwerven voorop staan. De fondsen springen alleen aanvullend bij en financieren projecten met specifieke doelen, bijvoorbeeld met een (achtergestelde) lening of een krediet. Daarnaast verwacht ik van de fondsen dat zij de bijdrage van andere overheden zien als belangrijk criterium meewegen in het besluit voor financiering.

 

Ik wil het beoordelingssysteem bij de fondsen verbreden. De fondsen hebben hier al een begin mee gemaakt. Ik wil dat zij hier volgende stappen in zetten door beoordelingscriteria te objectiveren. Naast artistieke kwaliteit gaat het daarbij ook om ondernemerschap en publieksbereik. Die verbreding moet ook duidelijk zichtbaar worden in de profielen van de beoordelingscommissies. De beoordeling moet objectiever en transparanter en het aantal regelingen moet zoveel mogelijk worden teruggebracht. Zoals eerder al met de fondsen en Raad voor Cultuur afgesproken mogen leden van adviescommissies geen banden hebben met aanvragen die worden behandeld. Dat is ook gemeld aan uw Kamer in de brief van 14 juni 2010.

 

Een aantal subsidiemogelijkheden bij fondsen zal verdwijnen. In het nieuwe cultuurstelsel is het voor instellingen niet meer mogelijk om instandhouding- of exploitatiesubsidies voor 4 jaar aan te vragen. Meerjarige financiering (2 jaar) is alleen mogelijk voor specifieke activiteiten of projecten. De fondsen zullen bij toekenning zorgen dat deze activiteiten een aanvulling vormen op de basisinfrastructuur. Instellingen in de basisinfrastructuur kunnen geen aanvragen indienen bij de fondsen. Fondsen zullen ook geen subsidies meer verstrekken die het karakter van een inkomensvoorziening hebben. Ook zullen de fondsen geen subsidies voor tijdschriften meer verstrekken. Dit is een taak van de markt. De fondsen gaan meer programmatisch werken, waarbij samenwerking en matching met andere publieke en private partijen een zeer belangrijke rol zullen spelen. Binnen de verschillende fondsen blijft er ruimte voor R&D en talentontwikkeling. In de sectorale beschrijvingen in deze brief is hiervan al een schets gegeven.

 

De fondsen spelen een belangrijke rol in de uitvoering van het cultuurbeleid. Het is van belang dat er goed inzicht is in de resultaten van hun activiteiten. Daarom ga ik aanvullende afspraken maken met de fondsen over de gegevens die zij aanleveren ten behoeve van statistiek en beleidsinformatie. Ik wil deze afspraken vastleggen in informatieprotocollen. Het gaat dan om informatie over hun bedrijfsvoering (zoals de eigen inkomsten en subsidieafhankelijkheid van gesubsidieerde activiteiten) en prestaties (zoals aantallen producties, voorstellingen, evenementen, beurzen, vertalingen, en publiek dat daarmee bereikt is). Ook over de programmering van verkennend en evaluatief onderzoek wil ik nadere afspraken maken met de fondsen.

 

Op de bedrijfsvoering van de fondsen is de algemene korting op zelfstandige bestuursorganen van toepassing die in het regeerakkoord is afgesproken. Deze loopt voor de fondsen gezamenlijk op tot € 1,9 miljoen.

 

 

Hieronder volgt het financieel overzicht van de basisinfrastructuur vanaf 2013. Naast de bezuiniging uit het regeerakkoord (zie ook 2.12) is hierin het volgende verwerkt:

· aan het financiële kader voor musea is het budget van het huidige Nederlands Centrum voor Volkscultuur (0,48 miljoen) toegevoegd voor het Nederlands Openlucht Museum t.b.v. samenwerking op het gebied van volkscultuur. Ook is aan dit kader € 2 miljoen toegevoegd voor het NOM voor de digitale presentatie van de Nederlandse geschiedenis en voor de materiële presentatie van de Canon van de Nederlandse geschiedenis. Eerder gereserveerde middelen voor het Glasmuseum en Amstel 218 van € 0,54 miljoen worden ook aan het financiële kader voor musea toegevoegd.

· ten behoeve van vervangingsinvesteringen voor onder meer het Scheepvaartmuseum en het Rijksmuseum) is € 7 miljoen aan het financiële kader voor musea toegevoegd.

· tot het financiële kader voor musea worden ook de middelen voor de musea voor journalistiek en literair erfgoed en het Fotomuseum gerekend.

· het budget voor het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (ruim € 5 miljoen) is aan het museale kader onttrokken.

· eerder gereserveerde middelen voor de Nieuwe Kerk en NINSEE van € 1,2 miljoen worden ongeoormerkt overgeheveld naar het Mondriaan Fonds.

· het subsidieplafond voor de bibliotheeksector is verhoogd met circa € 11 miljoen door toevoeging van de bestaande programmamiddelen voor leesgehandicapten en varenden.

· aan het financiële kader voor cultuureducatie en amateurkunst wordt € 0,9 miljoen toegevoegd voor het kennisinstituut Educatie en Participatie. De middelen waren eerder beschikbaar voor programma’s voor interne cultuurcoordinatoren, pabo’s, lerarenopleidingen en brede scholen.

· in het financiële kader voor orkesten zijn de eerder toegekende middelen voor internationale excellentie van € 1,5 miljoen voor het KCO opgenomen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

budget (x 1000)

Totaal podiumkunsten

156.920

Orkesten

30.600

Begeleidingsorkesten

13.500

Operagezelschappen

27.540

Theatergezelschappen

16.250

Jeugdtheatergezelschappen

4.000

Dansgezelschappen

16.250

Festival podiumkunsten

2.990

Fonds

45.790

 

 

Totaal erfgoed

147.660

Musea

waarvan huisvesting

142.000

56.270

Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie

5.090

Stichting DEN

570

 

 

Totaal beeldende kunst

30.560

Presentatie instellingen

2.400

Ontwikkeling bewezen talent

2.500

Fonds

25.660

 

 

Totaal film

37.950

Filmfestivals

2.420

Ondersteunende instelling film

6.680

Fonds

28.850

 

 

Totaal letteren

12.870

Ondersteunende instellingen

3.060

Fonds

9.810

 

 

Totaal architectuur, vormgeving en nieuwe media

19.210

Ondersteunende instellingen

7.810

Fonds

11.400

 

 

Totaal cultuureducatie en amateurkunst

17.020

Ondersteunende instelling

4.760

Fonds

12.260

 

 

Totaal bibliotheken

14.440

Ondersteunende instelling (inclusief programmabudget voor leesgehandicapten en varenden)

14.440

 

 

Totaal bovensectoraal

1.590

Ondersteunende instelling onderzoek en statistiek

710

Ondersteunende instelling internationaal cultuurbeleid

880

 

 

 

Voor instellingen die voor rijksfinanciering in aanmerking willen komen, gelden verschillende criteria, die deze brief in paragraaf 1.6 al heeft aangegeven. Hieronder volgt een uitwerking van kwaliteit en de vijf criteria die het kabinet in aanvulling daarop hanteert:

 

· Kwaliteit: instellingen geven in hun aanvraag aan hoe hun artistieke kwaliteit zich heeft ontwikkeld en hoe zij deze in de toekomst willen uitdragen. Zij gaan daarbij in op hun artistieke profiel en de rol van hun artistiek leider. Zij leggen daarbij een relatie met het aanbod dat zij verzorgen of hun collectie, die van nationaal of internationaal belang moet zijn. Ook geven zij aan wat de meerwaarde van hun instelling is.

 

· Publiek: het criterium publiek valt uiteen in het bereiken van zoveel mogelijk publiek, het binden daarvan en het aantrekken van nieuwe doelgroepen. De mate waarin dit lukt of mogelijk is, is afhankelijk van het profiel van de instellingen. Daarom vraag ik cultuurproducerende instellingen het volgende aan te geven:

o Wie is de doelgroep? Hoe is de doelgroep samengesteld, in termen van achtergrond, leeftijd, opleiding en interesse?

o Wat is het bereik, zowel fysiek als virtueel, en hoe heeft dit publieksbereik zich de afgelopen drie jaar ontwikkeld? Zowel kwantitatief als kwalitatief. Hoe verhoudt dit zich tot de plannen?

o Welke maatregelen worden genomen om het publiekbereik te verbreden en te verstevigen?

o Is er sprake van een prijsstrategie en hoe ziet deze eruit?

 

· Ondernemerschap: het criterium ondernemerschap valt uiteen in een kwantitatieve eis aan de eigen inkomsten en een kwalitatieve weging van ondernemerschapactiviteiten.

o Kwantitatieve eis eigen inkomsten: op basis van de jaarrekeningen 2010 en 2011 wordt bepaald of de cultuurproducerende instelling die jaren gemiddeld aan de eigen inkomsten norm voldoet. Voor àlle cultuurproducerende instellingen is de norm 17,5%. Dit is een entreenorm voor de cultuurproducerende BIS instellingen. Voor de podiumkunsten instellingen geldt aanvullend dat deze instellingen geacht worden op 1 januari 2013 het niveau van 21,5% eigen inkomsten te halen. Dit moet blijken uit realistische plannen voor de periode 2013 - 2016. Daarbij betrek ik ondermeer de resultaten die in het verleden zijn behaald. Uitgangspunt zijn de definities zoals gebruikt in het NIBIS-advies van juni 2009. Het gaat om de eigen inkomsten gedeeld door alle structurele overheidssubsidies.
Instellingen worden bovendien geacht een groei van gemiddeld 1% per jaar in de periode 2013-2016 door te maken (zie 1.6). Gedurende de subsidieperiode worden de ontwikkelingen op het terrein van de eigen inkomsten door de instellingen in het bestuursverslag beschreven. Afwijkingen van het groeipatroon en verbetervoorstellen worden toegelicht. Bij de musea en de ondersteunende instelling voor musea wordt de huisvestingssubsidie meegerekend in de eigen inkomstennorm. Voor gefuseerde instellingen waarvan de rechtsvoorgangers subsidie ontvingen (van OCW dan wel één van de cultuurfondsen, een provincie of een gemeente) gelden de bedragen van deze rechtsvoorgangers.

o Kwalitatieve weging ondernemingsplan. Het ondernemingsplan van alle aanvragende instellingen geeft inzicht in de bedrijfsfilosofie van de instelling. Het plan geeft in samenhang antwoord op de volgende vragen:

o Wat is het product / de prestatie? Wat is het profiel van de instelling?

o Hoe verhoudt dit product zich tot andere (artistieke) producten en organisaties? Daarbij is aandacht voor landelijke of regionale spreiding.

o Hoe ziet het krachtenveld waarin de instelling opereert eruit? Wie zijn de stakeholders?

o In hoeverre wordt samengewerkt met deze stakeholders en andere culturele instellingen en leidt een gezamenlijke aanpak tot meerwaarde?

o Wat is de financieringsbehoefte en wat is de financieringsmix? Met welk doel (exploitatie, activiteiten etc.) vraag je aan wie (markt - filantropische sector – overheid) geld? Hoe ziet het verdienmodel eruit?

o Wat is het profiel van het bestuur en de Raad van Toezicht (voor zover van toepassing)?

Bij het behandelen van deze onderwerpen moeten instellingen reflecteren op prestaties in het verleden. Het ondernemingsplan wordt op zichzelf beoordeeld en vergeleken met de plannen van soortgelijke instellingen. Daarbij krijgen alle onderwerpen aandacht: activiteiten, partners, publiek en middelen.

 

· Educatie en participatie: alle cultuurproducerende instellingen en het kennisinstituut voor amateurkunst en cultuureducatie voeren activiteiten uit op dit vlak. Instellingen geven in hun aanvraag aan:

o wat hun visie is ten aanzien van educatie; deze visie is opgesteld na een verkenning van haar omgeving en het betrokken onderwijs

o welke ambities de instelling heeft met betrekking tot de aard, het aantal en het bereik van de activiteiten; daarbij wordt in ieder geval aangegeven hoeveel kinderen in schoolverband de instelling bezoeken of aan activiteiten deelnemen; de voornemens zijn gerelateerd de periode 2009-2012

o op welke wijze de instelling met het onderwijs gaat samenwerken

o welke personele en financiële inzet de instelling pleegt

o op welke wijze de activiteiten worden geëvalueerd.

 

· Aanbod of collectie van nationaal of internationale betekenis: alle producerende instellingen geven hierbij hun positie in nationaal of internationaal opzicht aan. Musea leggen hierbij nadrukkelijk een relatie met de collectie-, presentatie- en wetenschapsfunctie. Zij verwijzen waar dit mogelijk is naar visitatierapporten of aanbeveling uit andere adviezen, zoals die van de Raad voor Cultuur.

 

In de subsidievoorwaarden ga ik ook opnemen dat de jaarverantwoordingsstukken van gesubsidieerde instellingen openbaar worden gemaakt. Deze openheid zal bijdragen aan het vermogen van culturele instellingen om private middelen te genereren en de informatiebasis van de rijksoverheid verstevigen (zie ook onder 2.7).

 

Voor de langjarig gefinancierde instellingen gold de afgelopen periode een systeem van visitatie. Op basis van een zelfevaluatie van de instellingen van artistieke resultaten en bedrijfsvoering heeft een visitatiecommissie een rapport opgesteld waarin de instelling werd beoordeeld op haar functioneren en positie in de sector. De visitatiecommissies werden door de minister benoemd. De gevisiteerde instellingen maakten geen onderdeel uit van de vierjaarlijkse beoordelingscyclus van de Raad voor Cultuur. De visitatierapporten werden door de Raad wel gebruikt voor zijn sectoranalyses. Instellingen zelf konden op basis van de rapporten een verbeterplan opstellen.

De rapporten geven een goed beeld van de ontwikkeling van de instellingen.

 

In het nieuwe stelsel wordt het onderscheid tussen vierjarig gesubsidieerden en de langjarige opgeheven. Alle instellingen in de basisinfrastructuur worden weer periodiek beoordeeld door de Raad. Dat gebeurt op artistieke kwaliteit en de aanvullende 5 criteria: publiek, ondernemerschap, participatie en educatie, (inter)nationale betekenis en focus op kernpunten. Instroom in het stelsel en de hoogte van de subsidie worden hiermee bepaald.

 

Het schrappen van de langjarige status is voor mij aanleiding om de rol van de visitatie in de systematiek te herzien. Ik roep instellingen op om het visitatie-instrument te blijven gebruiken om gestructureerd te reflecteren op het functioneren. De brancheorganisaties zouden hierin een coördinerende rol kunnen spelen. Ik zie hier een parallel met het initiatief van de Vereniging van Rijksgesubsidieerde Musea om een coherente groep prestatie-eisen te formuleren die bijdragen aan het bepalen van de maatschappelijke waarde van de betreffende instelling. Dit noemt men de ‘publieke waardekaart’. Door een gemeenschappelijk systeem te hanteren, kunnen instellingen sturing en verantwoording structureren en een vergelijking met andere instellingen mogelijk maken. De prestatie-eisen die de subsidieverstrekker opstelt, kunnen hier een onderdeel van worden. Ik wil dit in alle sectoren stimuleren.

 

Instellingen die in aanmerking willen komen voor een plaats in de basisinfrastructuur 2013-2016, moeten voor 1 februari 2012 voor 17:00 uur een aanvraag indienen bij het ministerie van OCW. Het ministerie stuurt alle aanvragen voor advies door naar de Raad voor Cultuur. Op Prinsjesdag 2012 maakt het kabinet de subsidiebesluiten bekend.

In die subsidieaanvraag moeten instellingen ingaan op de criteria die in paragraaf 2.10 beschreven staan. Alle cultuurproducerende instellingen moeten in 2010 en 2011 gemiddeld hebben voldaan aan de eigen inkomsten eis van 17,5%. Dit is een toetredingseis voor alle cultuurproducerende instellingen in de basisinfrastructuur. Voor de podiumkunsten instellingen geldt daarnaast dat deze instellingen geacht worden op 1 januari 2013 het niveau van 21,5% eigen inkomsten te halen. Dat moet blijken uit realistische plannen voor de periode 2013 - 2016. Daarbij betrek ik ondermeer de resultaten die in het verleden zijn behaald. De Raad zal in deze procedure eerst bepalen of een instelling heeft voldaan aan de eigen inkomstennorm. Vervolgens gaat de Raad over tot inhoudelijke beoordeling en weging.

 

Bovenstaande eisen gelden zoveel als mogelijk voor instellingen die een projectsubsidie aanvragen bij een van de cultuurfondsen. Het aanvragen van vierjaarlijkse subsidie is daar niet meer mogelijk. Ook bij projecten en activiteiten die fondsen financieren wordt gekeken naar de mogelijkheden voor eigen inkomsten.

 

Na publicatie van de ministeriële regeling in de Staatscourant, zal ik de instellingen nader informeren over de aanvraagprocedure. De start van de aanvraagprocedure maak ik ook via grote dagbladen bekend.

 

 

De € 200 miljoen taakstelling is als volgt ingevuld:

Bezuinigingen x € 1 miljoen)

2011

2012

2013

2014

2015

 

 

 

 

 

 

Specifieke korting

 

 

 

 

 

Cultuurkaart

 

4,5

13,1

13,1

13,1

Museaal Aankoopfonds

19,0

 

 

 

 

Nationaal Historisch Museum

6,0

10,0

12,0

12,0

12,0

Cultuur en ICT/Cultuur en Economie

 

2,0

2,0

2,0

2,0

Stopzetten Innovatieregeling

 

3,0

3,0

3,0

3,0

Stopzetten Matchingsregeling

5,0

10,0

10,0

10,0

10,0

Stopzetten projecten

 

4,1

 

 

 

Totaal specifiek

30,0

33,6

40,1

40,1

40,1

 

 

 

 

 

 

Generieke korting (2,2% en 5%)

 

16,4

37,2

37,2

37,2

 

 

 

 

 

 

Bezuiniging basisinfrastructuur

 

 

122,7

122,7

122,7

 

 

 

 

 

 

Totaal bezuiniging cultuur

30,0

50,0

200,0

200,0

200,0

 

 

 

 

 

 

Kasritme volgens regeerakkoord

30,0

50,0

100,0

150,0

200,0

 

De generieke korting beslaat alle posten op artikel 14 Cultuur. Voor 2012 gaat het hierbij om een korting van 2,2% en vanaf 2013 een korting van ca. 5%. Volgens eerdere besluitvorming in de Ministerraad en in het wetgevingsoverleg cultuur is dit incl. erfgoed en bibliotheken.

De meeropbrengst ten opzichte van het kasritme in het regeerakkoord wordt gebruikt voor frictie- en transitiekosten, zoals met de Tweede Kamer is afgesproken in het algemeen overleg van 23 maart 2011.

 

Het kabinet wil invulling geven aan een zorgvuldig traject bij de bepaling van de specifieke kosten die in aanmerking komen voor compensatie, en van de hoogte daarvan voor de individuele instellingen. De hoeveelheid instellingen die naar verwachting met frictiekosten te maken zal hebben, vraagt om het hanteren van een duidelijk en eenduidig compensatiebeleid. In de aanloop naar de aanvraagronde voor de nieuwe basisinfrastructuur zullen de instellingen in de huidige basisinfrastructuur worden geïnformeerd over de compensatieregeling waarop in voorkomend geval aanspraak gemaakt kan worden.

Overigens zullen de instellingen aan wie op basis van deze brief al duidelijkheid wordt geboden doordat hun categorie niet terugkomt in de basisinfrastructuur, zich nu al moeten voorbereiden op een nieuwe situatie zonder subsidie van OCW. Deze instellingen wordt geadviseerd daar rekening mee te houden in hun bedrijfsvoering en geen nieuwe verplichtingen aan te gaan die zij zonder subsidie van OCW niet kunnen nakomen. De betrokken instellingen zullen hierover nog een brief ontvangen. Zij staan voor de keuze hun activiteiten na de huidige subsidieperiode te beëindigen of een doorstart te realiseren met alternatieve financiering. Overigens kan met deze instellingen desgewenst ook worden gekomen tot afspraken om de subsidie voor het restant van de periode 2009 – 2012 aan te wenden voor een geleidelijke afbouw van hun gesubsidieerde activiteiten. Op die manier kunnen frictiekosten na 2012 worden voorkomen, of zo veel mogelijk worden beperkt.

 

Zoals al eerder opgemerkt kiest het kabinet voor een sterkere bezuiniging op sectorinstituten en intermediairs en zal het de financiering van een aantal ondersteunende instellingen stopzetten. Waar ondersteunende instellingen een rijkscollectie beheren, blijft voor die taak financiering beschikbaar. Mocht een instelling die over een eigen collectie beschikt, overwegen een aanvraag in te dienen als museum, dan dient zij te voldoen aan de daarvoor geldende criteria. Van alle instellingen die door subsidiebeëindiging hun activiteiten moeten staken, verwacht ik dat de besturen zorgvuldig omgaan met de bestemming van de boedel. Bij instellingen met een collectie of archieven kan de Rijksdienst Cultureel Erfgoed of het Nationaal Archief adviseren.

 

 

Met deze brief reageert het kabinet ook op een aantal moties van de Tweede Kamer en doet het een aantal toezeggingen gestand.

 

· Voortgang Cultuurkaart: tijdens het wetgevingsoverleg cultuur op 13 december 2010 heb ik uw Kamer toegezegd te onderzoeken of het mogelijk is de Cultuurkaart voor het voortgezet onderwijs te laten voortbestaan zonder rijksbijdrage. Ik heb aangekondigd daarover met CJP, onderwijs en gemeenten in gesprek te gaan. CJP is de afgelopen maanden actief opgetreden om uw Kamer en mij van informatie en ideeën te voorzien. Op basis van de gesprekken met en diverse brieven van deze stichting stel ik vast dat er binnen de cultuursector een groot draagvlak is voor cultuureducatie. De cultuursector lijkt bereid om een collectieve afspraak met CJP te maken. De Cultuurkaart is daardoor ook aantrekkelijker voor private financiers. Zowel commerciële partijen als de private fondsen staan geïnteresseerd en welwillend tegenover de Cultuurkaart, al heeft nog geen van deze partijen een definitief besluit over financiering genomen. Ik stel vast dat er kansen liggen voor een constructie waarbij een investering van scholen in het tegoed op de Cultuurkaart wordt gematcht met een bijdrage uit een fonds dat door verschillende partijen wordt gevuld. Gemeenten en provincies hebben aangegeven geen belangstelling te hebben om te investeren in de Cultuurkaart. In de komende maanden zal CJP nader onderzoeken in welke mate scholen bereid zijn om voor de Cultuurkaart te betalen en hoeveel private fondsen en commerciële partijen willen bijdragen.

 

· MBO-opleidingen: zoals ik bij het wetgevingsoverleg cultuur op 13 december 2010 aan uw Kamer heb toegezegd, ga ik in mijn beleidsreactie op het sectorplan kunstvakonderwijs in op de arbeidsmarktmogelijkheden van mensen die een mbo-opleiding in de kunstsector volgen. Uw Kamer ontvangt deze beleidsreactie dit najaar.

 

· Digitalisering (32123-VIII, nr. 26) en het advies van de Raad van Cultuur Netwerken van betekenis: digitale technologie biedt mogelijkheden voor creatie, distributie en consumptie van cultuur. Internet kan kunst en cultuur toegankelijk maken en de participatie van de burger vergroten. Het kabinet bevordert een vrij en open internet en stimuleert waar dit mogelijk en gewenst is een open toegang. Ook onderzoekt het kabinet de mogelijkheden om drempels voor open toegang van digitale informatie weg te nemen. Een digitale oriëntatie hoort in deze tijd voor de cultuursector een vanzelfsprekendheid te zijn. De sociale netwerkdimensie van de nieuwe media biedt ruimte voor eigen initiatief. Daar is geen overheidsbemoeienis bij gewenst. Het kabinet kiest dan ook niet voor een door de Raad geadviseerde netwerkplicht, of voor het opleggen van voorwaarden op het gebied van digitale cultuur en media. In het nieuwe cultuurstelsel wordt de verantwoordelijkheid voor digitalisering integraal deel van het beleid van instellingen. Veel van hen hebben die verantwoordelijkheid al genomen, al dan niet aangespoord door het stimuleringsbeleid van de overheid van de afgelopen jaren. De overheid zal zich wel blijven inzetten voor een gezamenlijke infrastructuur die aansluit op de Europese digitale bibliotheek Europeana. Specifiek gaat het hier om een netwerk dat leidt tot een aggregatie van de Nederlandse digitale collecties.

 

· Leerorkest (32500-VIII, nr. 91): de motie Klijnsma verzoekt de regering ‘het initiatief van het Leerorkest uit te dragen zodat dit navolging krijgt in andere gemeenten en wijken in Nederland’. In de afgelopen maanden zijn op het gebied van muziekeducatie stappen gezet. Op 17 mei 2011 heeft prinses Maxima het programma Kinderen maken muziek gelanceerd, dat voortbouwt op de aanpak van het Leerorkest en andere initiatieven. Het Fonds voor Cultuurparticipatie levert aan dit programma een bijdrage, als onderdeel van zijn programma Er zit muziek in ieder kind. Andere activiteiten die het Fonds voor Cultuurparticipatie in het kader van dit programma mogelijk maakt zijn bijvoorbeeld Muziek in de klas (Gelderland) en Music Matters (Rotterdam). Het programma Cultuureducatie met kwaliteit dat ik in deze brief aankondig, gaat over alle disciplines, dus ook over muziekeducatie. Gemeenten die op muziekeducatie een accent willen leggen, krijgen daarvoor de ruimte.

 

· Nationaal Historisch Museum (31495, nr. 26): de motie Van der Ham/Peters vraagt de regering bestaande initiatieven en ideeën rond geschiedenis en staatsinrichting in samenhang te verkennen. Na consultatie van het veld is ervoor gekozen het externe onderzoeksbureau APE onderzoek te laten uitvoeren. Dit onderzoek vindt uw Kamer als bijlage bij deze brief. Het kabinet heeft besloten om de subsidie aan het Nationaal Historisch Museum te beëindigen. Gezien de bezuinigingen, ook in de museumsector, en de scherpe prioriteiten die het kabinet daarbij dient te stellen, is het niet opportuun dit project voort te zetten. Het kabinet wijst daarbij ook op het feit dat bestaande erfgoedinstellingen al veel initiatieven ontplooien om de Nederlandse geschiedenis te presenteren. Dit blijkt ook uit het verrichte onderzoek.

 

· UNESCO-verdrag immaterieel erfgoed: bij het wetgevingsoverleg cultuur op 13 december 2010 zegde ik uw Kamer toe begin 2011 een voorstel voor een goedkeuringswet voor de ratificatie van dit verdrag te sturen. Zoals ik u heb meegedeeld in mijn brief van 31 mei 2011, kan deze toezegging niet binnen de eerder vastgestelde termijn worden afgehandeld. Ik zal uw Kamer dit voorstel voor het einde van 2011 sturen.

· Frictiekosten (32500-VIII, nr. 155): ik geef gehoor aan het verzoek om eventuele middelen die door de versnelde procedure niet als subsidie worden uitgekeerd te behouden voor de cultuursector voor frictie- en transitiekosten. Ik heb dit ook toegezegd in het overleg met uw Kamer op 23 maart 2011.

· Effecten van de btw-verhoging op de podiumkunsten (32500, nr. I): met het oog op ondernemerschap zal het kabinet de effecten van de economische crisis en de btw-verhoging op de podiumkunsten nauwgezet volgen. Het kabinet doet hiermee zijn toezegging aan de Eerste Kamer, in reactie op de motie van het lid Noten, gestand. De publicaties Cultuur in Beeld en Cultuur in Cijfers geven trends hierover weer. Ze zijn te vinden op www.rijksoverheid.nl/cultuurinbeeld.

 

 

De aanloop naar de nieuwe basisinfrastructuur is als volgt:

· Najaar 2011 Indiening ministeriële regeling bij de Tweede Kamer

· Najaar 2011 Publicatie ministeriële regeling in Staatscourant

· 1 februari 2012, 17:00 Sluiting indiening aanvragen nieuwe basisinfrastructuur

· Prinsjesdag 2012 Bekendmaking subsidiebesluiten

· 1 januari 2013 Start nieuwe subsidieperiode basisinfrastructuur

 

Het wetgevingstraject verloopt als volgt:

· Na 27 juni Start wetgevingsproces (w.o. intrekken artikel 4.b)

· Voorjaar 2012 toezending van de Wetswijziging aan de Tweede Kamer

· 1 januari 2013 Wet treedt in werking

 

 

 

Vgl. Atlas voor Nederlandse Gemeenten 2011; KEA European Affairs, The impact of culture on

creativity, 2009, http://www.keanet.eu/docs/impactculturecreativityfull.pdf.

Raad voor Cultuur, Innoveren, participeren! Advies agenda cultuurbeleid & culturele

basisinfrastructuur, maart 2007, p. 61, 82, 95, 139, 143, 171.

http://www.cultuur.nl/Upload/Docs/rvc_adv0307_compleet.pdf

Commissie d’Ancona, Uit! Naar gesubsidieerde podiumkunsten met een nieuw élan, september

2006, p. 9.

Rick van der Ploeg, Cultuur als confrontatie. Uitgangspunten voor het cultuurbeleid 2001-2004,

juni 1999, p. 4.

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Cultuur in beeld, mei 2011, p. 49.

www.rijkoverheid.nl/cultuurinbeeld.

Museale voorwerpen die eigendom zijn van de Staat, of die aan de zorg van de Staat zijn toevertrouwd, zoals gedefinieerd in de Regeling materieelbeheer museale voorwerpen.

 

Dit topteam brengt in juni advies uit aan de minister van Economische Zaken, Landbouw en

Innovatie.

KEA European Affairs, The impact of culture on creativity, 2009, p. 5.

http://www.keanet.eu/docs/impactculturecreativityfull.pdf

Raad voor Cultuur, Advies bezuiniging cultuur 2013-2016, p. 15.

Doorlopende leerlijnen dragen bij aan het vergroten van de samenhang: scholen en hun leraren kunnen op basis van een doorlopende leerlijn aan culturele instellingen aangeven wat ze zelf willen doen en waar ze een culturele instelling bij nodig hebben. Hierdoor is ook betere regie mogelijk op het beschikbare aanbod. Tot slot kan een doorlopende leerlijn de aansluiting verbeteren tussen binnen- en buitenschoolse talentontwikkeling.

Hierbij zal gebruik worden gemaakt van de ervaringen en uitkomsten van het onderzoek Cultuur

in de Spiegel van de Rijksuniversiteit Groningen. Zie http://cultuurindespiegel.slo.nl/

Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Cultuur in beeld, mei 2011, p. 119.

www.rijkoverheid.nl/cultuurinbeeld.

F.H.M. Grapperhaus, S.J.C. Hemels, Mecenaat en fiscus. Fiscaal aantrekkelijk steunen van kunst & cultuur in heden en verleden, 2010, p 58.

R. Bekkers, P. Wiepking, Generosity and Philanthropy. A literature review, oktober 2010.

T.N.M. Schuyt, B.M. Gouwenberg, R.H.F.P. Bekkers (red.), Geven in Nederland 2011. Giften, nalatenschappen, sponsoring en vrijwilligerswerk, 2011.

Eigen inkomstennormen voor de cultuurproducerende instellingen in de basisinfrastructuur. Advies aan de minister van OCW, juni 2009.

 

 

Jeugdtheater is uitgezonderd van de hogere norm, omdat hiervoor pas sinds 2010 een eigen inkomsten norm gold.

M. Kerste, J. Poort, N. Rosenboom en J. Weda, Cultuur naar vermogen. Aard, gebruik en toepasbaarheid van generiek instrumentarium voor ondersteuning van de Nederlandse cultuur, 2011.

Sociaal en Cultureel Planbureau, Cultuurbewonderaars en cultuurbeoefenaars. Trends in participatie en mediagebruik, mei 2009, p. 50.

APE, Inventarisatie van initiatieven geschiedenis en staatsinrichting, april 2011.

Inclusief huisvesting, exclusief de budgetten voor een museum voor fotografie, een museum voor literair erfgoed en een museum voor journalistiek erfgoed.

De huidige architectuurnota Een cultuur van ontwerpen. Visie architectuur en ruimtelijk

ontwerp (2009-2012) is ondertekend door de volgende departementen: IenM, EL&I, BZK en OCW.

Het programma richt zich niet op de vooropleidingen muziek en dans.

Sociaal en Cultureel Planbureau: Mogelijkheden tot kunstbeoefening in de vrije tijd, juni 2010.

Dit is inclusief het programmabudget voor leesgehandicapten en varenden.

Administratieve ontwikkeling bij Cultuurfondsen, 27 augustus 2010.

De middelen van dit fonds is bestemd voor de topgebieden, waaronder creatieve industrie.

Het museum voor journalistiek erfgoed is opgenomen onder artikel 15 van de begroting (media).

Voor jeugdtheater geldt de lagere norm, zie ook 1.6.